is toegevoegd aan uw favorieten.

De incarnatie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laat terugnemen. Met de daad is eene beslissing genomen, die een zaak tot oplossing brengt, die alles wat aan mogelijkheden, plannen, proeven bestaat, samenvat in het voldongen feit; de gesloten werkelijkheid. Op deze wijze wordt de incarnatie in het N. Testament behandeld. Zij wordt geacht samen te vallen met de volheid des tijds, met het laatst der dagen. Zij kondigt zich aan als de komst, d. i. het aanwezig-zijn, van het koninkrijk Gods. Van hier uit wordt het verleden eerst duidelijk in zijn zin en bestemming. En omgekeerd werpt het licht op de toekomst, die niet anders dan in dit licht kan worden bezien. De incarnatie beteekent dus een critisch moment in de z.g. heils-geschiedenis en in de wereld-geschiedenis in haar geheel. Zij is critisch — als wij het mogen zeggen — ten aanzien van God, omdat zij toont wie God eigenlijk is, in zooverre zij als het ware een blik werpt in het wezen van God, waarvan de bewogenheid openbaar wordt in de gave van zijn Zoon. Zij is critisch ten aanzien van den mensch. Wat mensch-zijn is en waartoe het bestemd is blijkt uit de wijze, waarop het menschelijke in Jezus Christus is opgenomen en tot voltooiing gebracht. Ook ten aanzien van den godsdienst kan de incarnatie critisch worden geacht, in zooverre zij toont, welke eigenlijk de betrekking tusschen God en mensch is. Alles wat als godsdienst zich voordoet, zijn vormen, geest, bedoelingen en verwachtingen, kan aan de incarnatie worden getoetst. Men kan haar zelfs critisch noemen ten opzichte van de werkelijkheid als zoodanig. Is zij de beslissende daad van God ten aanzien van mensch en wereld, dan ligt in haar het geheim opgesloten van wat de mensch en de wereld zijn en waard zijn. Het zal ons trouwens blijken, hoe in de figuur der recapitulatie, het weder-onder-één-hoofd-brengen van alle dingen, deze critische beteekenis der incarnatie vorm ontvangt, b.v. bij Paulus en Irenaeus. De incarnatie beteekent het samenvallen van getuigenis en persoon, van woord en handeling, van idee en werkelijkheid, van droom en daad, van verschijning en van datgene wat verschijnt, van openbaring en van Hem, die zich openbaart en van wat Hij openbaart. Men zou hier de tegenstelling tusschen contemplatie en existentie kunnen toepassen, zooals Kierkegaard deze maakt. De incarnatie beteekent, dat God niet slechts op de wereld toeziet, maar in haar ingrijpt en dat de mensch van zijn kant niet slechts als toeschouwer, maar als deelnemer opgenomen wordt in de worsteling, die met de incarnatie begint. Ook kiest de incarnatie, tegenover alle idealisme, dat slechts in den geest verwijlt, partij voor een realisme, dat de