Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het Evangelie: dat Hij verschenen is in deze wereld vormt den inhoud der goede boodschap. Maar tot deze verschijning behoort óók, dat hij het subject van het Evangelie is: zelf is Hij de eerste, die er getuigenis van aflegt, dat Hij in deze wereld verschenen is. Hij is immers een levend persoon, geen onpersoonlijk goed. Zijn zelfgetuigenis, hoezeer getemperd door de Socratische methode der indirecte mededeeling, is dus de eerste en authentieke verklaring van wat zijn verschijning beteekent. Zoo vloeien subject en object samen in de eenheid van woord en persoon, zooals zij het ook doen in die van werk en persoon. Deze volledigheid, die in zich samenvat wat wij het rhythme van alle beweging, den gang van alle leven zouden kunnen noemen, de wet ook van alle levens-besef of denken, is kenmerkend voor wat als de verschijning van Jezus Christus in het N. Testament ons tegemoet komt.

Dat deze verschijning een persoonlijk karakter draagt verwondert ons niet, als wij ons herinneren, hoe in het O. Testament de openbaring van God zich concentreert en consolideert in de gestalte van den Messias. Het N. Testament berust op de stille onderstelling, dat de Messias een persoon is, die verwacht wordt, één persoon, wiens komst beslissende beteekenis zal hebben voor het volk Israël en voor de geheele wereld. En deze open plaats wordt geacht door de verschijning van Christus te zijn vervuld. En wat voor de O. Testamentische verwachting op hare hoogtepunten het wezenlijke der Messias-verschijning is: het God-met-ons, heeft in de Christusverschijning vorm aangenomen, gestalte verkregen. Het gaat er altijd om, dat men in Hem met God zelf te doen heeft, dat er niets meer is tusschen God en den mensch — en dit wordt in de intens religieuze belichting negatief als het wegnemen van toorn en vijandschap, en positief als het aanbrengen van genade en geloof aangeduid —, dat God zóo dicht bij den mensch gekomen is als de oorspronkelijke afstand tusschen beiden mogelijk maakt. Vandaar de nadruk die, als vanzelf sprekend, wordt gelegd op de finale beteekenis van de Christus-verschijning, en daarmede op hare volstrekte en critische beteekenis.

Men heeft daarbij rekening te houden met het feit, dat het levende geheel meer is dan de som der deelen en dat deze, elk op zijn plaats, slechts in verband met het geheel kunnen worden gekend. Dit geldt ten opzichte van elk organisme en zelfs ten aanzien van een mechanisme, dat zin heeft en een bedoeling uitdrukt, maar allermeest ten aanzien van het persoonlijke leven. De analyse heeft natuurlijk

Sluiten