Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De groote actie wordt als volmaking gezien, maar niet ten koste van de verlossing. Dit blijkt uit de centrale plaats, die de figuur van den hoogepriester inneemt. In dit verband is plaats voor symbool en afschaduwing, voor trappen en fazen, voor ontwikkeling en vervulling. De soteriologische en de cosmische opvatting van den Zoon worden harmonisch verbonden. Maar alles cirkelt toch om de unieke verschijning, in de laatste dagen, van den Christus, wiens offer beteekent de persoonlijke verbinding van God en mensch, immers den wil en de daad der universeele reiniging.

De Johanneïsche geschriften, waarin zij zich dan ook mogen onderscheiden, hebben ten aanzien van ons onderwerp geene andere beteekenis dan dat zij in groote, scherpe trekken de voorafgaande gegevens ontwikkelen. De figuur van het goddelijke Woord (Logos) heeft geen dualistischen inslag. Integendeel, het is de persoonlijke bemiddeling tusschen God en de wereld, zoowel scheppend als verlossend. Vandaar dat in den Proloog van het Evangelie het Woord vleesch kan worden en dat de brieven de realiteit der vleeschwording tegenover den docetischen vorm van dualisme hartstochtelijk in bescherming nemen. De vergeestelijking, die men aan Johannes toeschrijft — men denke aan wedergeboorte en het eten en drinken van Christus — beteekent geen ont-stoffelijking, maar een wijding der stoffelijkheid. Dit blijkt, in verband met ons onderwerp, duidelijk, b.v. uit de wijze, waarop, geheel in overeenstemming met de menschwording zelve, het mensch-zijn van Jezus wordt geaccentueerd, b.v. in den nadruk, die op zijn lijden en sterven en de realiteit van zijn lichaam na de opstanding valt. Dit ligt in de rede, omdat de verschijning van Christus vóór alles het karakter draagt van een verlossing en deze mensch en wereld raakt in hun stoffelijk-geestelijk gemengd bestaan. Dit blijkt zeer duidelijk uit de wijze, waarop het woord wereld in tweeërlei zin wordt gebezigd, op dezelfde wijze als het woord vleesch: als het geschapene en als zoodanig goed en als de verkeerde wending daarvan en als zoodanig slecht. 1) De incarnatie bepaalt hier de grens.

Als wij de trekken der apostolische geschriften samenvatten, blijkt ons, bij alle verscheidenheid, hoe zij hunne eenheid vinden in het getuigenis, dat in Christus God zelf is nedergedaald, verlossend en vernieuwend en dit in de gestalte van Hem, die persoonlijk God-zijn en mensch-zijn verbindt. Dit is voor de apostelen een mysterie, dat wordt aangebeden. Formeel beteekent het, dat zij in

*) Vgl. Joh. 17 : 24, 8 : 23.

Sluiten