Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het niet-zijnde toe, met alle overgangen en spanningen, die deze greep medebrengt. Voor eene incarnatie is hierbij geen plaats. Daarvoor staan de beide leden te vèr van elkaar. Ook de zin voor de persoon en de daad is te zwak: ideeën en processen overheerschen. Wèl is de behoefte levendig aan verbindingen en overgangen, en daarin aan zekere analogieën met wat de incarnatie beteekent.

Origenes toont in dit opzicht zich het meest aan het nevenChristelijke denken verwant. Hij stelt zich de incarnatie voor als de verbinding van den goddelijken Logos, door tusschenkomst van een menschelijke ziel, met een menschelijk lichaam. Hierbij heeft de Logos de leiding; maar ook de ziel richt haar wil onafgebroken op den Logos. Zóó worden lichaam en ziel langzamerhand verheerlijkt, vergeestelijkt; de mensch Jezus wordt één en de zelfde met den Logos. Zoo heeft eene werkelijke verbinding plaats, die ethisch — als eenheid van wil — en metaphysisch — als eenheid van wezen — aannemelijk wordt gemaakt. Origenes bezigt hiervoor sterke uitdrukkingen: gemeenschap, vereeniging, vermenging zelfs. De persoon van Jezus, d. i. de menschelijke, komt naar voren als de geheel van God vervulde mensch, die ons voorbeeld is. De betrekking tusschen Godheid en menschheid wordt, volgens een beeld, dat velen na hem zullen overnemen, door Origenes vergeleken met die tusschen vuur en ijzer; het laatste ligt in het eerste. Het is volgens Origenes zóó, dat ,,Hij, dien wij meenen en overtuigd zijn, dat van den beginne aan God en Zoon van God is, dat Hij, zeg ik, de rede zelve en de wijsheid zelve en de waarheid zelve is. Maar van zijn sterfelijk lichaam en de menschelijke ziel daarin zeggen wij, dat zij niet alleen door de gemeenschap met Hem, maar ook door de vereeniging en vermenging, de grootste gaven ontvangen hebben, en, de gemeenschap van zijne godheid erlangd hebbende, in God zijn overgegaan."1) Deze gewaagde uitdrukking is ontleend aan een apologetisch geschrift van Origenes, maar deze apologeet mist den achtergrond, dien de oudere apologeten bezaten. Zijn apologetische houding is hij zelf. De synthese van Christelijk en niet-Christelijk denken is bij hem zonder rest. Origenes kan zich zóó laten gaan, omdat bij hem, den in het Orientalisme gedrenkten Christen-wijsgeer, aan den afstand tusschen God en mensch die volstrektheid ontbreekt, welke zij bij Irenaeus en Tertullianus bezit. Vandaar dat Origenes door de Kerk is losgelaten,

*) Origenes, Contra Celsum III, 41. cf. I, 69, III 28.

Sluiten