Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de twee af te leiden. De oude strijd over het onderscheid tusschen God en mensch en de verflauwing der grenzen komt in nieuwen vorm aan de orde. Hij kan niet altijd duren, want hij loopt over de vitale belangen der christenheid, over wat men later zou noemen de eer van God en de zaligheid der zielen.

Hierbij doet zich weer het verschil voor tusschen de tweeërlei theologie, projectie van tweeërlei geesteshouding, die door Alexandrië en Antiochië wordt vertegenwoordigd, met haar zin beurtelings voor synthese en analyse, voor het wezen en de persoon, de genade en de vrijheid. De eene komt op voor de volledige eenheid; de andere beperkt deze tot de zedelijke betrekking. Middelerwijl houdt het Westen zich zonder veel bespiegeling aan de reëele, d. i. voor het geloof waardevolle gegevens der kerkelijke belijdenis.

Naar twee zijden is ook hier weer het evenwicht verstoord en tracht de Kerk dit, krachtens haar beginsel der via media, te herstellen. In de eerste plaats is het Nestorius, die ter wille van de redelijke onderscheiding en de zedelijke vrijheid uit de incarnatie tot eene tweeheid van personen besluit. De eenheid is er geene van natuur of hypostase, maar van houding, gezindheid of verbondenheid; de inwoning van God in den mensch niet zaak van wezen, maar van genade en welgevallen. Het gaat om eene zedelijke eenheid op den hoogsten trap, analoog met die van de inwoning van God in ieder mensch. De God-Logos woont in den menschJezus, die zich daarbij geleidelijk zóó ontwikkelt, dat hij kan worden aangebeden. Op zijn persoon, gezindheid en wil valt de nadruk. Hij is slechts Verlosser in zooverre hij voorbeeld is. Niet herstel, maar ontwikkeling is de leus. Tegen dezen ouden vijand met een nieuw gelaat trad het derde concilie, dat van Ephesus, in 431, op. Het is van belang op te merken, hoe ook hier de paus den doorslag gaf met zijn zin voor geestelijk gezond verstand, dat zonder meer opkwam voor de aloude onderstellingen van het geloof, volgens welke God zelf in menschelijke bestaanswijze zijn schepping heeft verlost. De naam Gods-moeder wordt voor Maria gehandhaafd: ,,zij heeft immers naar het vleesch het vleeschgeworden Woord van God gebaard." Vastgesteld wordt, „dat het Woord van God den Vader met het vleesch persoonlijk vereenigd is, en dat het één Christus is met zijn eigen vleesch, nl. dezelfde tegelijk God en mensch." Veroordeeld wordt „wie in den éénen Christus de substanties verdeelt na de vereeniging, ze alleen verbindend met dien band, welke volgens waardigheid is, of ook

Sluiten