is toegevoegd aan je favorieten.

De incarnatie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV. DOORWERKING DER CRITIEK

Tot dusver hebben wij ons over het geheel gehouden buiten het terrein, waarop de incarnatie haar plaats vindt: dat van de Kerk en de theologie. Dit was een zaak van methode, van welbewuste reserve. Wij wilden eerst in het algemeen aanwijzen, welke de bedding is, waarbinnen zich de stroom voortbeweegt, de structuur, die de verschillende uitingen van het leven bepaalt. Met dezen stroom en dit leven wordt dan bedoeld de moderne geest, die met de incarnatie geen weg weet, omdat zij de uitdrukking is van onderstellingen — noem ze dualistisch, pessimistisch, anthropomorph, of hoe ook — welke hij niet kan aanvaarden. Dat deze geest bestaat, is niet verwonderlijk. Hij heeft altijd bestaan en is volkomen natuurlijk, d. w. z. menschelijk, in den zin van ongebroken, zonder aanraking met hoogere macht. Maar dat hij zich in de Kerk en de theologie laat gelden, kan verwondering wekken. Immers, de geheele Kerk en hare theologie is gebouwd op de tegenstelling van wat wij noemden den natuurlijken, menschelijken geest en de critiek hierop van eene hoogere orde, die in Christus is geopenbaard. Deze critiek is de eigenlijke raison d'être van het Christendom, van Kerk en theologie. Zij staan en vallen er mede. Vandaar dat de invloed van den modernen geest eigenlijk niet te zijnen laste komt. Deze geest kan niet anders zijn dan hij is. Zijn invloed komt veeleer ten laste van de Kerk en hare theologie. Hij bewijst eene inzinking van geestelijke kracht, en daardoor een verzwakking van zelfbewustzijn en roeping en eene verflauwing van grenzen. Het is een symptoom van nivelleering en secularisatie. Dit wordt niet onmiddellijk merkbaar. Verlies van den inhoud en versteening van den vorm gaan dikwijls samen. Het is wat men tegenwoordig uitholling noemt. Zoodra in de verhouding van den mensch tot God de nadruk begint te vallen op den mensch en zijn vermogens, op de kracht van zijn rede of zijn gezond verstand, van zijn wil en vrijheid, van zijn gevoel of intuïtie, waardoor hij God naderen of tot Hem doordringen kan, is de groote spanning weggenomen, die in het scheppend ingrijpen van God zelf hare oplossing vindt. Men begint met van de relatie eene correlatie te maken, van Gods beschikking een betrekking van wederkeerigheid tusschen God en mensch. Men onderscheidt de natuurlijke sfeer, waarin de mensch vrij is, en de bovennatuurlijke, waarin hij op Gods licht en genade is aangewezen. De betrekking tusschen God en mensch kan allerlei