Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de eenheid van wil culmineert de eenheid, die in Christus tusschen God en mensch wordt gedemonstreerd. Toch blijft Gerretsen hierbij niet staan. Hij erkent, dat er behalve de ethische, qualitatieve sfeer ook eene quantitatieve bestaat. Het eindige is iets wezenlijk anders dan het oneindige. Het menschelijke is van eene andere orde dan het goddelijke. Ten aanzien van het quantitatieve geldt het oude „finitum non capax infiniti", ten aanzien van het qualitatieve geldt het niet. Jezus is dan ook meer dan mensch, maar tegelijk minder dan God. ,,In Jezus is het een bewustzijn van te zijn mensch en meer dan mensch, van in een heel aparte verhouding te staan tot den Vader èn een bewustzijn van toch in alle dingen afhankelijk te zijn van den Vader".1) Wij hebben hier te doen met een ,,cry" die tegenwoordig van alle kanten wordt herhaald: niet het physische, incluis het metaphysische, maar het ethische. Doch als dit meer beteekent dan een critiek en correctief, als men er een duratief van wil maken, dreigt men te vervallen tot een ethisch monisme of dynamisme, waarbij geen plaats is voor de onderscheiding tusschen God en mensch, die toch op een geheel anderen grond rust. Gerretsen erkent dezen. Vandaar het onbevredigende van zijne proeve van christologie- In elk geval wordt hier de wezenlijke onderscheiding tusschen God en mensch achtergesteld bij de zedelijke eenheid. Zoowel „ethisch" als „physisch" behoort de mensch ten slotte tot eene andere orde dan God, in zooverre hij tot de geschapenheid behoort. Als men zich hiervan niet goed rekenschap geeft, n.1. van wat God en mensch, als Schepper en als geschapen wezen, onderscheidt als van den stillen achtergrond van alles wat als eenheid van gezindheid en wil zich openbaart, blijft men in de verwarring steken. Men moet kiezen. Eenerzijds kan de incarnatie consequent worden toegepast; andererzijds kunnen de onderstellingen haar worden onttrokken.

Het is dus te begrijpen, dat men op verschillende wijze gezocht heeft naar eene theorie, die rekening hield met de wezenlijke onderscheiding van God en mensch en tegelijk de vereeniging van beide in Christus op eene religieus en wetenschappelijk bevredigende wijze oplosten. Er zijn vooral twee theorieën, die in den loop der 19e eeuw en sedert in velerlei richting hunne toepassing hebben gevonden: die der progressieve incarnatie en die der Kenósis. De eene sluit de andere niet uit, hoezeer zij verschillend zijn gericht.

*) J. H. Gerretsen, Christologie, 1911, bl. 19.

Sluiten