is toegevoegd aan je favorieten.

De incarnatie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Thomasius — „eine Selbstbeschrankung des Logos bei der Mensch werdung an. Er bestimmt sich sein göttliches Sein in der Form der menschlichen Existenz und also unter das Gesetz einer menschlichen Entwicklung hin zu geben". 1) Hier blijft dus het wezen der godheid onaangetast. Dit is immers, als zoodanig, onaantastbaar. Het kan niet worden verminderd, laat staan afgelegd. Waar het om gaat is het afleggen van de heerlijkheid der godheid, dus b.v. de almacht. Zij zelve, ook al werpt zij haar glans niet uit, blijft die zij was. Thomasius maakt hierbij gebruik van de oude onderscheiding tusschen potentieel en actueel. „Die Potenz ist nicht etwas Ohnmachtiges oder Leeres, sondern das in seinem tiefinnersten Grunde zusammengefasste Wesen, die aus der Peripherie der Erscheinung und Actuositat in sich concentrirte unendliche Fülle, welche ebendeshalb die Macht ihrer selbst ist". Deze kenósis-leer draagt nog een bescheiden karakter. Zij is vol van reserves en houdt sterk vast aan de onderscheiding van God-zijn en mensch-zijn. Het is te begrijpen, dat volgelingen van Thomasius, zooals Gess, met deze gedeeltelijke aflegging van goddelijke eigenschappen geen genoegen namen. Maar wat beteekent het, als deze aflegging volkomen wordt? Dat niet alleen de z.g. metaphysische eigenschappen der godheid, maar ook de z.g. moreele, als heiligheid, worden afgelegd. De continuïteit van het zelfbewustzijn ontbreekt bij den mensch-geworden Zoon van God. Uit het onbewuste moet Hij langzamerhand tot de bewustheid ontwaken. Dit beteekent een geestelijken groei, die door het geloof tot stand komt. Deze opvatting gaat veel verder dan die van Thomasius. Zij loopt op haar tegenstelling uit. Immers, zij zet de godheid in de menschheid om. „Der Logos ward durch Annahme von menschlichem Fleisch und Blut, sich begebend in das Bestimmtsein von Fleisch und Blut, zu einer menschlichen, in wahrhafter Menschenweise und menschlicher Niedrigkeit lebenden Wesenheit". 2)

Deze kenósis-opvatting ging velen te ver, die toch de kenósis zelve als waardevol gegeven wilden laten gelden. Men vindt dezen trek velerwegen, waar op de nauwe betrekking tusschen God en mensch de nadruk wordt gelegd. Dit is vooral het geval, waar de persoon, de gezindheid, en deze als eene van vertrouwen en liefde, wordt geaccentueerd. Deze trek kenmerkt de geheele „Vermittlungs-

') G. L. Bauer, Die neuere protestantische Kenósislehre, 1917, S. 23. J) bij G. L. Bauer, a. a. O. S. 95.