is toegevoegd aan uw favorieten.

De incarnatie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de rechte verhouding komt te staan. Maar hierbij gaat het dan toch om de realisatie of applicatie van wat door de incarnatie is te weeg gebracht, niet slechts ideëel, als mogelijkheid, doch reëel, als een werkelijk herstel van de rechte verhouding tusschen God en mensch. De incarnatie is dus het kristallisatiepunt van alles wat over de religie, d. i. de betrekking tusschen God en mensch — en, wijder opgevat, de wereld — kan worden geloofd. Wat, wijsgeerig uitgedrukt, de relatie is tusschen transscendentie en immanentie, statisch en dynamisch, reëel en ideëel, existentieel en contemplatief; of ethisch, die tusschen normaal en abnormaal; of ethetisch tusschen harmonisch en disharmonisch, wordt hier religieus geheel gerealiseerd en geabsoluteerd. Vandaar dat ten aanzien van de incarnatie de geesten uiteengaan. Vandaar ook, dat zij, die haar niet kunnen aanvaarden, toch niet gaarne met haar willen breken. Het is ons gebleken, op hoevele wijzen men van de incarnatie tracht te redden wat men in haar voor waardevol houdt, hetzij door haar geheel uit de z.g. mythologische sfeer in de historische, of uit de ideëele in de reëele, of uit de metaphysische in de ethische te transponeeren, hetzij door bepaalde trekken, zooals de volmaakte religieuze persoonlijkheid, van haar vast te houden, hetzij door met behulp van zekere dogmatische of wijsgeerige motieven of begrippen, als kenósis of progressie, haar aannemelijk te maken, d.i. in te voegen in een meer algemeene categorie. Vandaar dat ons gebleken is hoe moeilijk het soms is verwerping en handhaving der incarnatie, en in het laatste geval beperkte en volledige aanvaarding, scherp te onderscheiden. Toch moet deze onderscheiding, hoezeer practisch moeilijk, principieel worden gemaakt, omdat zij inderdaad berust op de meest wezenlijke onderscheiding, welke bestaat, nl. die tusschen God en mensch en den aard van de betrekking tusschen beiden. Zijn God en mensch één, of gescheiden, of onderscheiden? Komt het initiatief en de leiding van boven of van beneden, of bestaan zij in de samenwerking van beiden? Is de betrekking gegeven, zoodat zij als een onderstelling mag gelden, die slechts behoeft te worden bewust en actief gemaakt, of moet zij worden gelegd als een gave, een schepping van Godswege ?

Al deze vragen kristalliseeren zich als het ware in de incarnatie. Vandaar dat de houding, die t. a. van haar wordt aangenomen, pleegt samen te gaan met die, waarin men in het algemeen ten opzichte van God staat. De oude Kerk en de gnostiek, Augustinus