is toegevoegd aan uw favorieten.

De incarnatie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat eigenlijk, wezenlijk in God rust. Het wereld-proces is geen Gods-proces. Het wereld-proces is ook niet los van God. Maar het houdt zóó nauw verband met God, dat de bemoeiing van God met de wereld God toont zooals Hij is. De z.g. economische triniteit, d. w. z. de drieëenheid, zooals zij zich onderscheiden laat in de werkzaamheid van God in de wereld, wijst terug naar de ontologische triniteit, d. w. z. naar de drieëenheid, zooals zij in God zeiven rust. Het zelfde geldt van de incarnatie. Deze daad is er eene, waarin God zelf, als de levende, zich uitdrukkende, zich mededeelende, in de hoogste potentie zijner liefde, d. i. als verlossend, zich openbaart.

Zoo rust dan de incarnatie in God, in wat, met bewuste afwijking van de onpersoonlijke idee, de Christelijke theologie noemde den raad van God, die volkomen souverein is, onafhankelijk van zijn verwerkelijking in ruimte en tijd, dus in de sfeer der geschapenheid. Daarom lost God zich dan ook in de schepping niet op. Hij wordt niet in haar. Hij wordt zich in haar ook niet van zich zelf bewust. Zij beteekent ook geen uitvloeiing van goddelijke kracht en daarmede levensvermindering van God zelf. Zij beteekent ook geen beperking van God, als of iets buiten Hem zou komen staan wat zijn macht op eenige wijze tempert. Zelfs eene zelf-beperking, d. i. vrijwillige beperking, past bij God niet. Evenmin een lijden, waardoor aan zijn volmaaktheid zou worden te kort gedaan. Hiertegen heeft zich te allen tijde het besef van de Majesteit Gods verzet. In den laatsten tijd heeft dit besef den vorm aangenomen van den nadruk, die op „das Heilige" of „ganz-andere" door Rudolf Otto is gelegd, of op de paradoxaliteit van het geloof en de onkenbaarheid van God door de dialectische theologie. Deze houding geldt t. a. van de schepping en zij beteekent de onderscheiding van God en van eiken vorm van geschapenheid. Hetzelfde geldt van wat de openbaring wordt genoemd, in onderscheiding van de schepping, die dan natuurlijk in het algemeen de eerste openbaring en de onderstelling van elke andere is. Immers, alles wat geschapen is wijst op eenige wijze door het teeken van zijn geschapenheid naar den Schepper terug. Dit is wat men oudtijds bedoelde, als men sprak van de sporen of het beeld van God, die al het geschapene, naar zijn aard, draagt. In zooverre is de schepping de eerste onderstelling der incarnatie. Ook wat gewoonlijk als openbaring van schepping wordt onderscheiden, als op deze rustend, vormt van de incarnatie de onderstelling. Als God zich openbaar maakt, beteekent dit,