Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schepsel is, d. i. zijne verwantschap aan God in gehoorzaamheid en liefde aanvaardt. Dit is het wat men op allerlei wijze heeft geïnterpreteerd als den zin van het geschapen zijn naar het beeld en de gelijkenis van God. Wij kunnen dit netelige onderwerp laten rusten. Het gaat hier slechts om den algemeenen zin der verwantschap tusschen God en mensch. De R.-Katholieke Kerk heeft hiervoor den term analogia entis gevormd in den zin van zekere overeenkomst, die tusschen God en mensch bestaat, in zooverre beiden zijn. x) De zijns-wijzen mogen verschillen, als de goddelijke en de menschelijke, aan deze wijzen van zijn is toch het zijn als zoodanig gemeen. Alles hangt hier van de toepassing af. Men kan deze zóó maken, dat tusschen God en mensch zekere gelijkheid in den zin van gelijk-matigheid en dus weder-keerigheid wordt aangenomen met alles wat hieruit voortvloeit voor het godsdienstige leven en bepaaldelijk den heilsweg. Vandaar dat de dialectische theologie zich, in naam van de souvereiniteit van God, zoo heftig hiertegen keert en Barth de analogia entis zelfs voor „die Erfindung des Antichrists" houdt.2) Men kan echter de toepassing ook beperken tot de mogelijkheid, dat de mensch iets van God bemerkt, van Hem eenig weet heeft, althans kan hebben, daargelaten de aard der betrekking, die zoo ontstaat.

Naar deze verwantschap wijst meer nog dan de schepping de incarnatie heen. Dezelfde Logos, door wien de wereld geschapen is, als haar goddelijk, scheppend model, neemt vleesch aan, d. w. z. eene menschelijke bestaanswijze. Dat dit mogelijk is, dat deze Logos op deze wijze kan leven, zich uitdrukken, zijn werk verrichten, bewijst toch, dat er zekere overeenstemming bestaat tusschen God en mensch. Zelfs al vat men de geheele mensch wording negatief op, als incognito, dan wordt toch het mensch-zijn opgevat als een middel, waarvan God zich bedienen kan om zich te openbaren. Het ware toch in ernst niet mogelijk te beweren, dat op dezelfde, of zoo niet nog betere, wijze de vermomming van God had kunnen plaats hebben, als niet de menschelijke, maar de dierlijke of de plantaardige bestaanswijze door God ware aangenomen. In de middeleeuwen hebben sommige dialectici zich aan deze bewering gewaagd. Deze behoort tot het spel, dat eene geestesuiting is van

') Erich Przywara, Religionsphilosophie katholischer Theologie 1927, S. 22 ff. Ders., Die Analogia entis, Metaphysik, I Prinzip, 1932.

2) Karl Barth, Die kirchliche Dogmatik. ir B. Die Lehre voir. Worte Gottes. Prolegomena zur kirchlichen Dogmatik ir Halbb., 1932 S. VIII.

Sluiten