Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet in de eerste plaats, hoezeer ook, wetenschappelijke, maar geestelijke critiek, d. i. critiek van den geest op de letter, van den inhoud op den vorm, van den indruk op het ingedrukte en de uitdrukking daarvan. De wetenschappelijke critiek heeft te doen met de uitdrukking, de geestelijke ook met den indruk, in zooverre zij zich laat leiden door wat zich, als openbaring van God, in den vorm van het geloof indrukt in den mensch. Vandaar dat er sprake is van tweeërlei critiek, die, welke met de geloofs-werkelijkheid rekening houdt en die, welke dat niet doet. Alles komt aan op de vóór-oordeelen, waarvan men uitgaat.

Het is een waan, dat men zonder eenig vóór-oordeel eenig onderzoek zou kunnen beginnen. Men brengt dit mede, reeds in de aanschouwingsvormen der zinnen en de categorieën van den geest. Wie spelen wil moet zich houden aan de regels van het spel. Hoeveel te meer wie naar waarheid zoekt. Dit geldt ten aanzien van de z.g. stoffelijke verschijnselen en de natuur. Het geldt nog veel meer ten aanzien van het geestelijk leven, dat persoonlijk is gestempeld, waarvoor niet alleen regels, maar normen gelden en hetgeen pleegt te geschieden wordt getoetst aan wat behoort te worden gedaan. Hier is het oordeel, dat te allen tijde een vóór-oordeel is, onmisbaar. Het wordt een voor-óórdeel zoodra het oncritisch, willekeurig te werk gaat, zonder zijn grenzen te kennen en te ontzien. En dit voor-óórdeel is wel nergens sterker dan waar men gelooft aan de mogelijkheid om zonder eenig vóór-oordeel te werk te kunnen gaan. De moderne philosophie is bezig zich hiervan te overtuigen. Men denke slechts aan de wijze, waarop Heidegger en jaspers den mensch opvatten, niet als een bewustzijn, zelfs niet als een persoon of persoonlijkheid, maar als een levend mensch, die zich bevindt in allerlei betrekkingen en van deze onafscheidelijk is, ook in zijn denken en willen. Daarom is het van belang ruiterlijk deze betrekkelijkheid en betrekkingen, als waarin het leven gegeven is, te erkennen en te trachten ze in hun aard en inhoud te ontleden. Zoo is het bij de behandeling van de incarnatie noodig zich rekenschap te geven, waarvan men al of niet uitgaat. Men kan haar niet los maken van algemeene onderstellingen, zoowel van historischen als van kennistheoretischen, psychologischen en wijsgeerigen aard. De incarnatie doet in het algemeen een beroep op de geschiedenis. Zij wil haar plaats hebben in de geschiedenis, in zooverre Jezus Christus een mensch is geweest, die het leven van een mensch in ruimte en tijd heeft geleid. Zij vergenoegt

Sluiten