Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van boven. Het gaat niet slechts om de zedelijke reinheid en de innige liefde, die zich in de persoon van Christus uitdrukken. Het gaat om de goddelijke qualiteit van beide, waardoor zij verlossend kunnen werken. Dit is het abc der incarnatie, zooals de Kerk deze te allen tijde heeft opgevat. Deze deed dit met al den hartstocht, waarvan zij trilde onder den indruk van de oplossing der ontzaglijke tegenstelling tusschen verloren-zijn en verlost-zijn.

Het bezwaar tegen de moderne kenósis-leer draagt dus ook een soteriologisch karakter. De incarnatie beteekent, dat God verlossend tot den mensch komt. Met den goeden wil en de liefderijke gezindheid van Christus is niets gedaan, als deze wil en gezindheid niet die zijn van God, zooals deze in Hem spreekt en handelt. Deze verlossing beperkt zich dan ook niet tot het innerlijke leven van den mensch, zijn gezindheid en wil. Zij strekt zich uit over zijn geheele bestaan, als mensch. En deze mensch is één met de menschheid, zooals deze met de wereld. Vandaar de universeele, cosmische strekking van de incarnatie. Zij motiveert deze immers zóó, dat dezelfde goddelijke Logos, die het beginsel en het model der wereld is, in Christus zich openbaart om deze wereld volgens haar oorspronkelijke bestemming te vernieuwen. Hier past de figuur der recapitulatie, zooals Paulus deze ontwikkelt en die van den Logos in de Johanneïsche geschriften. Voor deze wijde strekking der incarnatie is geen plaats, als zij wordt beperkt tot eene openbaring van God, aan welke de goddelijke volmacht ontbreekt om de schepping in haar geheel te vernieuwen. De critiek der moderne kenósis-leer op de incarnatie, zooals de Kerk deze formuleert, schiet dus in elk geval haar doel voorbij. Zij wil vereenvoudigen en vergeestelijken. Dit is haar recht en haar plicht. Maar als zij daarbij besnoeit en uitholt, zij het al niet om de incarnatie redelijk, maar zedelijk en religieus aannemelijk te maken, vergeet zij, dat de incarnatie eene gegevenheid' is van eene orde, die boven onze bevatting, ook onze zedelijke en religieuze bevatting uitgaat, in zooverre zij verbindt wat voor ons on-verbindbaar is: het God-zijn en het mensch-zijn in één persoon en leven. Wij mogen niet trachten hier te bemiddelen. Van elke bemiddeling, ook in den vorm van de kenósis, geldt, dat zij — zooals Heim het uitdrukt „widerspricht der göttlichen Absolutheit, zu derer Wesen es gehort in jedem Zeitpunkt alles in der Gewalt zu haben."1) Of, om het in eene

*) Karl Heim, a. a. O. 2r B S. 65.

Sluiten