Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der theologie meent niet, dat zij te beschikken heeft over bovenmenschelijke kenmiddelen. Dit is de waan van eene bepaalde soort van mystiek, de oneindigheids-mystiek. Maar zij is van oordeel, dat het geloof in staat is kennis te nemen van werkelijkheden, die overigens onbekend en onkenbaar zijn, doch die voor het geloof openbaar worden. Deze kennis is die van menschen; deze openbaring is aangepast aan wat menschen kunnen bevatten. Beide zijn dus inaedaquaat. Zij dragen een indirect, analogisch karakter, in zooverre openbaring en geloof behooren tot de bedeeling der voorbereiding, die aan het schouwen niet toe is. Dit heeft Augustinus zeer scherp gezien en onderscheiden. De theologie van onzen tijd, die bezig is zich te bezinnen op haar eigenlijk karakter en dit vindt in hare betrekking tot het geloof, is zich van deze onderscheiding tusschen gelooven en schouwen, indirecte en directe kennis van God, levendig bewust. Geloofs-kennis is iets geheel anders dan ervarings- of rede-kennis. Dit is geen pis aller. Het is wat gegeven is met de meer-dimensionaliteit van de werkelijkheid en de waarheid, die wij b.v. door Karl Heim reeds hoorden bepleiten.

Het is vóór alles noodig plaats te maken voor den inhoud der incarnatie als werkelijkheid voor het geloof. Daarop volgt de wijze waarop het geloof zich hiervan rekenschap geeft in de belijdenis. Deze vormt op haar beurt de stof voor het nadenken der theologie, die wat in de dimensie van het geloof als werkelijkheid werd gevonden vergelijkt met wat in andere dimensies als werkelijkheid geldt. Zij kan dit niet nalaten. Eenerzijds wordt zij er van buiten af toe gedwongen. Andererzijds leidt haar eigen bezit er toe, omdat het geloof niet slechts te doen heeft met eene werkelijkheid, die boven de aardsche, zij het de physische of de psychische of de pneumatische, uitgaat, maar juist zijne boven-aardsche werkelijkheid uitdrukt in de gegevenheid der aardsche. Nergens blijkt dit duidelijker dan juist bij de incarnatie, die immers verklaart de mensch-, zelfs de vleesch-wording te zijn van den Zoon van God. En dit geldt niet alleen van de incarnatie zelve: deze vereeniging van Woord en vleesch, God en mensch. Het geldt ook van de doorwerking daarvan in het leven van den enkele, de Kerk en de wereld.

De incarnatie is immers geen fait accompli. Zij is een duurzaam gebeuren, juister een voortgezette handeling. Wat wij noemden hare doorwerking wordt niet slechts van haar afgeleid. Het is er organisch mede verbonden. Men heeft niet de keus om de incarnatie, als geloofs-waarheid, te isoleeren van elke andere soort van waarheid.

Sluiten