is toegevoegd aan uw favorieten.

De incarnatie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier is stof en geest, gebondenheid en vrijheid, het geërfde en opgelegde, het zelf-verworvene en vloeiende, op verrassende, soms angstwekkende wijze gemengd. En hiermede zijn wij niet gereed. De mensch staat in verbinding met meer dan menschelijke en natuurlijke machten. Hij kan worden geleid en beheerscht door invloeden van boven en van beneden, heilige en daemonische. Hij kan begenadigd zijn of bezeten. Hier zijn wij reeds buiten de grenzen van onze bevatting. En toch vormt deze mensch eene eenheid, hoe verward en vloeiend dan ook. Bij Jezus Christus zijn de dimensies van een nog geheel andere orde. Het zijn niet slechts invloeden van boven, die Hem beheerschen. Hij is zelf degene van wien deze invloeden uitgaan. Datgene wat van „Boven" komt is in Hem persoonlijk aanwezig als initiatief en leidend beginsel. Dit bedoelen wij, als wij spreken van zijn persoon, die niet slechts die is van een mensch, maar van God. Maar tegelijk strekt de invloed van deze persoon zich uit over twee sferen, die van het God-zijn en van het mensch-zijn. Wij noemen dit naturen, omdat wij denken aan iets wat Hem wezenlijk eigen is, als tegelijk datgene wat Hem van ons onderscheidt en wat Hem met ons verbindt, het souverein staan boven al het geschapene en het opgenomen zijn in het geheel van het geschapene. Deze twee-heid is niet iets, waarvoor het geloof uit den weg gaat, of wat het zooveel mogelijk tracht te vereffenen. Integendeel. De Christus der Evangeliën en der brieven is de levende verbinding van het een en het ander. Wij hebben dit te zijner plaatse aangewezen. En de Christologie der Kerk legt op deze verbinding telkens den nadruk en wijst elke bemiddeling onvoorwaardelijk af. Telkens als Kerk en theologie na inzinking en vervloeiing weer tot besef komen van wat zij in hunne belijdenis bezitten, komt het anders-dan en meer-dan, dat hun in Christus gegeven is, naar voren. Men denke aan Augustinus, aan de Reformatie, aan den Réveil, aan eiken réveil, aan geestelijktheologische bewegingen van den laatsten tijd. Wat Otto phaenomenologisch en de dialectische theologie dogmatisch uitdrukt, evenals wat in allerlei vormen van vernieuwde godsvrucht zich kenbaar maakt, is het besef van het mysterie van den Christus in de gelijkheid met ons en de ongelijkheid met ons in éénen. Vroeger sprak men er van dat het menschelijke het goddelijke niet kon bevatten. Dit is dikwijls als een noodzakelijk, zoo niet als een te overwinnen kwaad beschouwd. En bepaaldelijk in de Christusfiguur zocht men de voorbeeldige of ideëele oplossing ervan. Daar-