Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

persoonsbegrip, dat de persoon tot een zelfstandige geestelijke grootheid maakt, die zich zelve geheel doorschouwt en beheerscht; ook niet aan het romantische begrip van de beweeglijke eenheid van tegenstellingen, die zich overal heen verplaatsen kan en onuitputtelijk is van droomen en gebaren. Het woord persoon beteekent in het kerkelijke spraakgebruik iets anders. Het gaat om het vormende en leidende beginsel, dat het geheele bestaan beheerscht, het denken en het willen, het leven en het handelen ook. Welnu, dit beginsel is in den Christus aanwezig. En de leiding is daarbij niet bij den mensch, maar bij God. Het diepste beginsel van zijn bestaan is het goddelijke. En deze persoon heeft te doen met de beide sferen, de goddelijke en de menschelijke, die door haar worden gedragen en doordrongen: het God-zijn, datgene wat souverein is, eigen-machtig en heerschend; en het mensch-zijn, datgene wat afhankelijk is en dienend. Men heeft daarvoor het woord natuur gebruikt, als aanduiding van het wezenlijke, eigenlijke, datgene wat God tot God en den mensch tot mensch maakt en dit niet onbewogen, maar beweeglijk, persoonlijk doordrongen en, om het moderne woord te gebruiken, geladen. Hierbij was het volle ernst, dat God en mensch, bij alles wat de laatste met den eerste kan gemeen hebben, toch qualitatief verschillen, tot een andere orde behooren. Wat zij gemeen mogen hebben aan wil en gezindheid draagt daarbij toch een volstrekt verschillend karakter. Wat bij den mensch onvast, betrekkelijk, afhankelijk is, niet slechts als schepsel, maar als geschapenheid, is in God vast, volstrekt, zelfstandig, in zooverre God is een ens a se, zooals de scholastiek het uitdrukte, d. i. in zich zeiven rust en uit zichzelf leeft. Daarom is het zoo verwarrend, als men in naam van het IsraëlietischChristelijke, personalistische beginsel tegenover het GriekschHellenistische, zakelijke, de betrekking tusschen God en mensch tot eene ethische herleidt. Het baat niet of men, zooals wij Dorner zagen doen, het ethische metaphysisch verdiept. Dit is öf een woordenspel óf een fictie. Het eerste verklaart niets; het tweede verklaart te veel, d. w. z. het laat geen plaats voor het mysterie van het wezenlijke onderscheid tusschen God en zijn schepsel. Alle eenheid tusschen beiden, in gezindheid en liefde, kan de werkelijkheid nooit te niet doen, dat het schepsel, ook in zijn gezindheid en liefde, slechts leeft bij de gratie van God. Hoe inniger de eenheid is, des te meer wordt deze werkelijkheid bevestigd. Zoo ligt dan bij Christus de eenheid niet in de natuur, maar in zijn persoon. Deze AALDERS, DE INCARNATIE.

Sluiten