is toegevoegd aan uw favorieten.

De incarnatie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus in deze wereld verscheen. Hij zelf heeft haar uitgedrukt, bijna uitsluitend indirect, door zijne verschijning, in woord en in daad. De apostelen zijn door haar gegrepen en hebben haar tot inhoud van hun Christus-getuigenis, hun boodschap, gemaakt. De Kerk heeft haar tot haar credo verheven, getuigend, meestal in den vorm van verweer. De theologie heeft haar uitgelegd en toegelicht, voor zooveel dit mogelijk was zonder haar karakter van geheimenis te na te komen en voorts grenzen gesteld en verklaringen afgeweerd. Wij moeten hiermede rekening houden en er naar handelen. Dan zullen wij niet vastloopen op een bepaalde beteekenis van de woorden, b.v. van natuur en persoon, maar trachten na te gaan in welken zin de Kerk deze woorden heeft bedoeld, toen zij ze tot uitdrukking en onderscheiding van haar geloofsbezit gebruikte. Het is niet noodig hierop in te gaan. Wij hebben de toepassing reeds gemaakt van wat wij nu als regel stellen. Wij hebben gezien, hoe het woord persoon de aanduiding is voor het leidende beginsel, dat zich bewust is en handelt overeenkomstig zijn aard, waarbij de goddelijke persoon nauwelijks in één adem met de menschelijke is te noemen. De aard van de eerste is souverein en scheppend, die van de tweede dienend en geschapen. Het is deze aard, maar dan niet als een toestand, doch in leven, die door het woord natuur wordt aangeduid. Ten opzichte van God beteekent het datgene, wat God tot God maakt, ten aanzien van den mensch datgene, wat den mensch tot mensch maakt. En de inhouden van deze formeele onderscheiding worden gevormd door wat aan het geloof van Godswege is geopenbaard.

Deze openbaring vindt haar brandpunt in de incarnatie, die niet anders dan als eene eenheid van tegendeelen kan worden uitgedrukt. Als wij het woord God-mensch neerschrijven is deze simpele woordverbinding een getuigenis van armoede. Is het teeken tusschen beide woord-deelen een verbindings- of een scheidings-teeken ? Het is beide. God en mensch zijn onherleidbaar. En de beteekenis der incarnatie bestaat hierin, dat in de persoon van Christus eene verbinding van beiden zich als werkelijkheid openbaart. Daarom zijn de Kerk en de theologie in hun beste tijden altijd zoo behoedzaam geweest met het geven van bepalingen, die verder gingen dan de strikte noodzakelijkheid. Zij waren bang voor eenzijdigheid. Daarom is het, niet alleen om historische en wetenschappelijke redenen, van belang, maar ook een geestelijke noodzakelijkheid, om terug te grijpen naar de perioden of momenten van het leven