Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de bedoelingen, die in het bijzonder hun eigen zijn. Wel is waar laat zich in deze behandeling eene zekere lijn aanwijzen, eene zekere richting ontdekken, maar dit doet niet af van het feit, dat een realisme, dat critisch wil zijn, niet anders kan doen dan eene groote post uittrekken voor wat behoort tot de toerusting en de gedragingen van de menschen, die op hunne wijze kennis nemen van wat zich als werkelijkheid aan hen vertoont of opdringt. Hier is altijd relativiteit, maar dit is wel te onderscheiden van relativisme. Er is een stof en daarin een norm gegeven. Beide zijn echter inderdaad gegeven, d. w. z. zij worden behandeld door menschen zooals zij zijn, dikwijls geheel anders dan wij nu zijn, in hunne uitdrukkingen en denkwijze, ook in de geheele situatie van hun leven en wereld. Hier heeft de onderscheiding tusschen uitdrukking en inhoud eene belangrijke, veelszins verhelderende en bevrijdende taak, zooals de wetenschap, ook de theologische, deze heeft te verrichten.

Juist de theologische wetenschap, zou men kunnen zeggen. Deze heeft, als zij haar taak goed verstaat, er rekening mede te houden, dat zij, indien ééne wetenschap, leeft van gegeven goed. Dit bestaat in datgene wat openbaring van God is en als zoodanig de uitdrukking van een mysterie. Dit geldt bepaaldelijk van de incarnatie, die immers pretendeert te zijn de openbaring van God zelf in eene menschelijke bestaanswijze. Beteekent elke openbaring eene zekere ontlediging van God, deze wel in bijzondere mate. Daarom tracht dan ook alles wat daarover kan worden gezegd en gedacht uitdrukking te geven aan een inhoud, die, als zoodanig, van eene geheel andere orde is dan die, waarin zij wordt uitgedrukt. Het zijn trouwens niet alleen de bewust-zijns- en denkvormen, waarvoor dit geldt, maar ook de bestaans-vormen zelve van den mensch. Zelfs als hij gelooft, geldt dit voorbehoud. Vandaar dat het geloof altijd een in-direct karakter draagt, als voorloopig, in afwachting van eene bedeeling, waarin de geloovige God zal kennen, gelijk hij gekend is. Het is dus een eisch der religie zelve het verschil tusschen inhoud en uitdrukking te erkennen en dit niet tersluiks, noodgedrongen, maar openlijk en volgaarne, omdat deze erkentenis eene hulde vormt aan de majesteit van God.

Toch beteekent de onderscheiding van inhoud en uitdrukking geen scheiding. De incarnatie zelve vormt het sterkste pleit, dat ooit gevoerd is voor het verband tusschen inhoud en vorm. Zij beteekent immers, dat God een menschelijken bestaansvorm heeft aangenomen en dezen volledig, tot het vleesch toe. Het is dus geen

Sluiten