Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

misverstand of aanmatiging, als de Christelijke Kerk, spontaan in haar lied en gebed, gereflecteerd in haar belijdenis en dogma gepoogd heeft zich zoo goed mogelijk rekenschap te geven van den inhoud van haar geloof. De vorm-geving is eene bevrijdende en eene verrijkende daad. Zij kan ook verbinden en vereenigen. Daarenboven, de Kerk had geen keus. Andere vormen waren de hare vóór. De ketterij is altijd spoediger gereed dan de Kerk. De Kerk moest bepaalde geloofs-vormen afwijzen en daartegen de hare stellen. Wij hebben opgemerkt hoe voorzichtig zij in hare uitdrukkingen is geweest. Zij was eclectisch en kieschkeurig. Zij verklaarde liever hoe het niét was, dan hoe het wèl moest zijn. Deze reserve is niet altijd het kenmerk geweest van de Kerk en de theologie. Maar hoe ver men ook dikwijls is gegaan in dialectiek en logomachie — dit doet niet af van de onmisbaarheid en de waarde der uitdrukking, die onder uitgesproken voorbehoud van hare betrekkelijkheid, vorm tracht te geven aan den inhoud van het geloof. Ook hier geldt, dat wij den schat hebben in aarden vaten. De schat maakt het vat niet waardeloos. Integendeel, mits het zich van zijn functie als vat, als vergankelijke schat-drager en niet meer, bewust zij.

Eenigen tijd geleden werd in bepaalde kringen voor het laatste, wat men van Christus kon zeggen, gehouden de uitdrukking: hèt. „Christus is hèt", ongeveer op de wijze, waarop het Boeddhisme spreekt van atman. Men meende, te goeder trouw, hiermede veel gezegd te hebben. Inderdaad was het veel ter aanduiding van de persoonlijke waardeering van Hem. Maar het was zeer weinig ten aanzien van Hem zeiven. Veel te weinig, als wij denken aan wat de Kerk ten aanzien van Hem heeft gezegd als den menschgeworden Zoon, het vleesch-geworden Woord van God.

II. OUD EN NIEUW

Deze onderscheiding vraagt onmiddellijk om toelichting. Bedoelt men haar in den zin van de onderscheiding tusschen modern en antiek of van modern en orthodox? De eerste betreft de denkwijze en levens-wijze der menschen, zonder dat deze zeiven, wat hun denk- en levens-inhoud betreft, behoeven te verschillen. De tweede betreft dezen inhoud zeiven. De eerste onderscheiding valt binnen den kring van wat wij als uitdrukking en inhoud onderscheidden; de tweede valt daarbuiten. De eerste moeten wij

Sluiten