Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schiedenis van het geestelijke leven, dat zich in deze zaak kristalliseert. Het is het tegendeel van woordenzifterij en begrippenkloverij als ook ten aanzien van de incarnatie deze weg, zorgvuldig en geduldig, wordt bewandeld. De woorden zijn de neerslag van worsteling en oefening, intellectueel en moreel; ook van zelfbeheersching en zelf-verloochening. Dit is geen philologie zonder meer. Deze wetenschap dient de geschiedenis van het geestelijke leven, dat in deze woorden zich spelt. Prof. Kohnstamm heeft eens ten opzichte van de triniteit een wensch geuit, dien hij met betrekking tot de incarnatie ongetwijfeld bereid zou zijn te herhalen. Hij zeide: ,,Het moderne denken staat zóó ver af van de vooronderstellingen der Grieksche wijsbegeerte, dat de vorm, waarin dit dogma ons is overgeleverd, ons thans den inhoud ervan niet nader brengt, maar verduistert. Daarom is het dringend noodig, dat de theologie zich weder op dien inhoud gaat bezinnen en hem gaat uitspreken in een vorm, die doorzichtig is ook voor hem, die niet eerst lange historische studiën over Grieksche wijsbegeerte heeft gemaakt." *) Deze opmerking is waardevol, als uit den mond van een modern mensch, natuur- en geestes-wetenschappelijk volledig toegerust, die tegelijk een positief Christen is. Toch moet de vraag gesteld worden, of inderdaad de invloed der Grieksche philosophie op de vorming van het dogma zóó groot is geweest, als hij aanneemt. Ons heeft het onderzoek tot andere conclusies geleid. Het moet inderdaad mogelijk zijn hetzelfde op andere wijze te zeggen, althans te omschrijven. Maar of de woorden natuur en persoon zelve door andere, betere, uit onzen tijd, zouden kunnen worden vervangen, is, zooals wij zagen, zeer twijfelachtig. Ook woorden als kracht en leven hebben hunne belastheid en associaties en kunnen niet worden herleid tot een zekere normatieve beteekenis zooals die der kerkelijke taal bezitten. Daarenboven meent men soms, met zekere naïeviteit, een nieuwe oplossing te hebben gevonden van de oude problemen, die geheel langs deze problemen heen gaat. Men denke aan de Godheid van Christus zooals Ritschl deze opvat, als de waardeering van Christus als God, of aan de opvatting van zijn persoon als die van een mensch bij uitnemendheid. Of aan de onverantwoordelijke wijze, waarop b.v. de theosophen spelen met het woord incarnatie en het zonder meer als een specimen van hunne geheel anders gerichte reïncarnaties behandelen. Woorden

*) Ph. Kohnstamm, Onze Eeuw, 1922, bl. 235.

Sluiten