is toegevoegd aan uw favorieten.

De incarnatie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar de betrekking tusschen God en mensch, waaromheen toch alles draait. En het geldt niet in het algemeen deze betrekking, doch haar gebrokenheid en herstel, de scheppende daad van God, waardoor zij niet slechts als mogelijk wordt gesteld, maar als werkelijk getoond. Vandaar dat de incarnatie altijd aanwezig is, openbaar of verborgen, als naar het wezen van het geloof wordt gevraagd, d. i. naar de ontmoeting en vereeniging van God en mensch. De vraag, door Jezus tot de Farizeërs gericht: „Wat dunkt u van den Christus, wiens Zoon is Hij" ?, herhaalt zich telkens weer. En als zij haar beantwoord hebben met: „Davids zoon", blijven zij op zijn tweede vraag: „Hoe noemt Hem dan David, in den Geest, zijn Heer, zeggende: de Heer heeft tot mijnen Heer gezegd: zit aan mijne rechterhand totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten. Indien Hem dan David noemt zijn Heer, hoe is Hij dan zijn Zoon?", het antwoord schuldig.1) Dit is een gesprek, dat niet binnen de muren der Joodsche schriftgeleerdheid blijft. Zelfs niet binnen de muren der Christelijke theologie. Het is een open gesprek, dat overal wordt gevoerd, in welke vormen ook, waar van godsdienst sprake is. Als er een hooger en lager is, een sfeer van heiligheid en onheiligheid, als er zijn Schepper en schepping, God en mensch, bestaat er dan een betrekking tusschen beide? Waar is deze gelegd? Hoe wordt zij onderhouden? Is zij bemiddeld door iets of door iemand ? Is deze bemiddeling of Middelaar van Boven of van beneden? Is zij tijdelijk of duurzaam, volstrekt of betrekkelijk — deze vragen, en zoovele meer worden concreet, levend, beslissend in de incarnatie. Wij hebben het reeds zóó geformuleerd : Zeg mij wat de incarnatie voor u is, en ik zal u zeggen wie gij zijt.

Dat deze casuspositie niet wordt aanvaard, zelfs onder vele Christenen niet, bewijst slechts, dat zij er nog niet aan toe zijn. Een Protestantisme, dat de incarnatie afwijst of mijdt, is wel ver afgeweken van het centrum, waaruit de oude Christenheid haar dynamisch geloof afleidde, in zooverre zij in de vleesch-wording van Gods Zoon de presentie van God zeiven, verzoenend en verlossend, als duurzame realiteit aanvaardde. Het is inderdaad een afschuwelijk misverstand, als men in de incarnatie slechts het onpersoonlijke ziet, een constructie van metaphysischen of physischen aard. Zij wil als daad van God worden gezien, zooals de schepping

*) Matth. 22 : 41 vv.