is toegevoegd aan uw favorieten.

De incarnatie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andererzijds hem zoo dicht nabij is. Als Martineau spottend tot de Anglicanen, die zich zoo druk maken met de termen der triniteitsleer, zegt: „Hoe kunt gij 's nachts slapen, als gij weet, dat uw bakker de personen misschien vermengt en dat uw slager het wezen verdeelt," zou dezelfde spot kunnen worden toegepast op de persoon en de naturen in de incarnatie. Deze spot is niet verdiend. In de eerste plaats is het zeer goed mogelijk, dat de slager of de bakker meer beseft van den zin der woorden, dan de professor vermoedt. Onze tijd is er aan toe, om te erkennen, dat een levend sympathisch „verstaan" van het geheel mogelijk is zonder het formeele, analyseerende „begrijpen" der enkele deelen, en omgekeerd. In de tweede plaats kan de eenvoudige gemakkelijk een fout begaan in zijn denken en uitdrukkingen zonder deze nog te begaan in datgene wat dieper ligt dan beide: zijn geestelijk leven zelf. En ten slotte — laat hij al fouten begaan, dan is toch de Kerk in haar geheel en de theologie als het orgaan van haar wetenschappelijke bezinning daar om de betrekking tusschen vorm en inhoud, in dit geval tusschen de leer van de eene persoon in de twee naturen en de verlossende komst van God in een menschelijke bestaanswijze, zoo goed mogelijk te regelen.

In dit opzicht schijnt de R.-Katholieke Kerk een voorsprong te hebben op de Kerken der Reformatie, omdat datgene wat in de incarnatie zoo veel beteekent en wat haar onderscheidt van elke andere openbaring van God: de mensch-, de vleesch-wording van God, door die Kerk met allerlei middelen zoo levend wordt gehouden. Haar dogma en theologie komen er naijverig voor op. Haar Kerkbegrip, als dat van het lichaam van Christus en deze Kerk als de ééne, zichtbare, door allerlei teekenen kenbare grootheid; haar mis, die het drama van Christus' verschijning in deze wereld uitbeeldt; meer nog, die het realiseert in de wezensverandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus, die wordt geofferd en als offergave genoten — dit alles maakt de incarnatie, om het zoo uit te drukken, vloeiend. Van deze centrale grootheid gaat dan wijding uit over de geheele schepping en het volle leven, in naam van de door den Christus aangenomen lichamelijkheid en geschapen levensstaat. Daartegenover schijnt het Protestantisme met zijn geestelijken godsdienst arm te staan. Het doet dit, als geestelijk zou beteekenen, dat het geloof enkel een zaak is van gedachte en begrip, zonder te doen te hebben met een levende persoon en de volle levenswerkelijkheid. Intusschen, een Protestan-