Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De nicht — ik bedoel de geloovige — glimlacht, want de oom — ik bedoel de humanist — spreekt wèl hare taal, doch hij bedoelt het totaal anders. Zij ziet de gedempte kloof, hij den effen weg; zij de distantie, hij de continuïteit; zij gelooft, hij waardeert. Voor haar is eene levensquaestie wat voor hèm eene opvatting is. Hare houding is, om met Kierkegaard te spreken, de existentieele; de zijne de contemplatieve.

Ik stel u deze personen voor, omdat ik wensch, dat gij voor één van beide partij kiest, en wel voor de eerste. Als wij hier, als theologen, over een zóó centrale theologische stof als de incarnatie gaan spreken, moeten wij daar niet beschouwend tegenover, maar geloovig in staan. Een theologie, die aan haar eigenlijk voorwerp, o theos, God, niet het eerste woord geeft, is geen theologie. Een theoloog, die niet met den hartstocht van den geloovige, maar met de belangstelling van den paedagoog of psycholoog begint, is geen theoloog. Ik ben het met Rudolf Otto eens: „Theologie ist eine Funktion der Religion selbst" en „Ihre Grundkategorie ist die Kategorie der Offenbarung".

Ik stel er prijs op dit voorbehoud — dat onder ons trouwens als vanzelf sprekend mag gelden — uitdrukkelijk te maken, als ik over de incarnatie voor u ga spreken, omdat het mijn methode en ook mijn stof bepaalt. Dit onderwerp heeft te doen met God en den mensch, met Gods openbaring en des menschen geloof. Buiten dit verband moge mijn onderwerp belangrijk zijn, intellectueel, esthetisch of hoe ook — het is een idee, een motief, een gezichtspunt, een richtlijn, maar het leeft niet als eene werkelijkheid, die over ons wèl en wee beschikt. Ik doe u opmerken, dat als Paulus tot Timotheüs spreekt over: „die is geopenbaard in het vleesch", dit blijkbaar ontleend is aan eene oud-christelijke liturgie, en vooral, dat hij er van spreekt als van een mysterie, een geheimenis der godsvrucht. Alleen als zoodanig kan en mag het in laatster instantie worden behandeld.

Ik stel mij voor dit zóó te doen, dat ik achtereenvolgens licht laat vallen op: I het Woord, II de Zaak, III den Zin, IV de Strekking. Ik zou dan V met eenige Toelichtingen willen eindigen.

Sluiten