is toegevoegd aan uw favorieten.

De incarnatie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebruik nooit prijs geven en ons en hen, die na ons komen, moedwillig verarmen. Wat velen elders — ik denk aan de R.-Katholieke Kerk — aantrekt, is, dat zij den werkelijken Christus, niet slechts dien van de letter, de geschiedenis, de idee, het begrip, aan hare kinderen belooft. Maar deze tegenstelling is onzuiver. Wij wijzen de stoffelijke aanwezigheid van Christus af, maar moeten daarom de geloofs-werkelijkheid, die ons in de incarnatie gegeven is, des te vaster aangrijpen en krachtiger realiseeren. Men kan de incarnatie het incognito noemen van den Zoon van God. Zij is en zij blijft dit voor den ongeloovige. Maar voor den geloovige wordt de Zoon van God toch niet anders en beter kenbaar dan zóó. „Hij is geopenbaard in het vleesch," verklaart de strophe van de oudchristelijke hymne, die Paulus aanhaalt. En J ohannes zegt van het Woord, dat onder ons, als in een tent, gewoond heeft: „wij hebben zijne heerlijkheid aanschouwd." De positieve beteekenis der vleeschwording is veel grooter dan de negatieve. Het incognito is geen masker. Het is zaak van verschijnings-wijze, niet de verschijning zelve.

Ik ben met Goethe begonnen. Vreest niet, dat ik met hem zal eindigen. Wilde ik nog een getuige oproepen, dan zou ik liever den naam van een jongeren tijdgenoot van Goethe noemen, die tegenover alle estheticisme en speculatie telkens weer op den werkelijken mensch teruggrijpt, d. i. den zondigen mensch in zijn angstwekkende verantwoordelijkheid tegenover God en in de doodelijke spanning tusschen zaligheid en rampzaligheid. Hierbij heeft deze man, Kierkegaard, in de incarnatie het steunpunt van zijn geloof gevonden. Voor hem is zij gegrond in de eeuwige liefde van God, die tot eiken prijs den afstand tusschen zich en den mensch overwinnen wil. En de dialectiek der liefde bestaat hierin, dat het zoo moeilijk is voor den volstrekt verhevene zich den geringe in gelijkheid der liefde, niet in nederbuiging der liefde, verstaanbaar te maken. „Nooit," zegt Kierkegaard, „heeft eene leer op aarde God en mensch werkelijk zóó nabij gebracht als het Christendom. Maar nooit heeft ook eene leer zich zóó angstvallig beschermd tegen de gruwelijkste van alle godslasteringen, alsof God en mensch op één uitliepen. Vandaar de ergernis."

Maar ik heb dezen getuige niet noodig. Ik grijp ten slotte liever terug naar het getuigenis van den Bijbel. Waar grijp ik dit het liefst? Zooals Augustinus, wien, als idealistisch wijsgeer, de J ohanneïsche