Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heilige wereld, „nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont", zooals de H. Schrift het uitdrukt1). Deze wereld zal dus worden gevormd hetzij met behulp van intellect of van fantasie, van zedelijk besef of godsdienstig geloof. Zij zal zich beperken tot de behoeften van den enkele, öf zich uitstrekken tot die der geheele samenleving. Zij zal zich langzamerhand vormen, öf plotseling vertoonen. Zij zal het werk van de natuur of menschen zijn, öf zich openbaren als eene wondere schepping van God. Zij zal liggen in het verlengde van de aardsche bedeeling, öf zij zal zich als een boven-aardsche schepping manifesteeren.

Ook hier geldt, dat van volstrekte tegenstellingen in den regel geene sprake is. Wèl van zware accenten. Bij Plato is de Staat het ideaal van zijn denken en dichten; de enkele is wel een staat in het klein, maar hij komt als zoodanig niet ten volle tot recht. Bij Augustinus is de Stad Gods meer dan een ideaal; zij is werkelijkheid, bij God en voor de toekomst; maar de enkele heeft hierin zijne eigene, volwaardige plaats. Bunyan teekent den eenzamen pelgrim, maar hij is toch op reis naar de hemelsche stad met tallooze burgers, en zonder zijne reisgenooten zou hij zijn doel nimmer hebben bereikt. Kierkegaard kunnen wij in dit verband nauwelijks noemen, tenzij dan bij wijze van tegenstelling, omdat de enkele, en deze voor God, zóó bij dezen eenzame op den voorgrond staat, dat kerk en geschiedenis voor hem eigenlijk waardeloos zijn.

Wij betreden, als wij te doen hebben met wat menschen van de toekomst hebben verwacht en gewenscht, een ruim, te ruim, terrein. Wij moeten ons beperken. Het is als in een woud, waar volgroeide boomen afwisselen met opschietende planten en ook kiemen en zaden in menigte voorkomen. Wij schenken dan, als wij ons rekenschap willen geven van wat er groeit, onze aandacht vooral aan datgene wat vasten vorm heeft aangenomen en waarbij de vele mogelijkheden zich tot ééne werkelijkheid verdicht. Wij moeten dus onderscheid maken tusschen on-gevormde en gevormde figuren, tusschen losse trekken en vaste gestalten, tusschen beweeglijke verbeeldingen en tot rust gekomen beelden. Met de laatste zullen wij bepaaldelijk te doen hebben, al staan zij niet op zich zelve en ontleenen zij van hier en daar hunne stoffen en motieven. De wereld is nu eenmaal vol van beelden, waarin de toekomstverwach-

*) 2 Petr. 3 : 13.

Sluiten