is toegevoegd aan uw favorieten.

Toekomstbeelden uit vijf eeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in „The Moral", die op de Fabel volgt, „een Utopie, die zetelt in de hersenen, als men meent de gemakken van de wereld te kunnen genieten, beroemd te zijn in den oorlog, gemakkelijk te leven, zonder groote ondeugden."

Mandeville heeft er zelf dus goed voor gezorgd, dat wij zouden weten wat hij met zijn fabel bedoeld heeft. Zij wordt voorafgegaan door een „Preface" en gevolgd door de „Moral". Bovendien hebben wij nog eene „Introduction" van de hand van den schrijver, de essay: „An enquiry into the origin of moral virtue", tal van „Remarks" over de fabel, een „Essay on charity and charity Schools". „A search into the nature of society", „A vindication of the Book", vijf „Dialogues" — alles door Kaye in zijne uitgave van de Fabel opgenomen, terwijl de geest van Mandeville ook in zijne overige geschriften — ik noem „Free thought on Religion, the Church and National Happiness" (1720) en „An Inquiry into the origin of Honour and the Usefulness of Christianity in war" (1732) — duidelijk spreekt.

In de Preface (1714) geeft Mandeville een toelichting bij zijn „Grumbling Hive". Hij noemt het een klein gedicht, dat eigenlijk dien naam niet eens verdient. Hij heeft er eigenlijk geen naam voor. Het is niet heroïsch of pastoraal; het is geen satyre, niet burlesk of semi-comisch. Het is te onwaarschijnlijk om een verhaal te heeten en te lang voor een fabel. Alles wat hij kan zeggen, is, dat het een vertelling is, gedaan in rijmelarij, en zonder de minste bedoeling om geestig te zijn, heeft hij het zoo eenvoudig en huiselijk mogelijk gedaan. Elders noemt hij zijn werk zelfs een gril.

De bedoeling was hoofdzakelijk, te toonen, dat het onmogelijk is te genieten van de meest elegante gemakken van het leven, die men ontmoet in eene ijverige, rijke en machtige natie, en tegelijk gezegend te zijn met al de deugd en onschuld, die men kan wenschen in een gouden eeuw; en daar van uitgaande uiteen te zetten de onredelijkheid en dwaasheid van hen, die begeeren een machtig en bloeiend volk te zijn en, wonderlijk belust op alle weldaden, die zij als zoodanig kunnen ontvangen, tegelijk altijd klagen over en zich uitspreken tegen die ondeugden en ongerieven, welke van het begin der wereld tot nu toe onafscheidelijk zijn van alle koninkrijken en staten, die ook befaamd waren om macht, rijkdom en beschaving, terzelfder tijd.

Als men hem vraagt: Waarom dit alles ? waar is het goed voor ? dan antwoordt hij: „Behalve de verstrooing van den lezer, geloof