Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natuur. Maar de invloed der oudheid is, althans direct, gering, vergeleken bij dien van den modernen tijd, met zijne evolutieleer en deze over de geheele linie doorgetrokken; met zijn positivisme en naturalisme ook, waaraan deze leer haar rugsteun ontleent; met zijne democratische en socialistische stroomingen; met zijn gedachte van volkenbond en wereldvrede; vóór alles met zijn nadruk op de techniek, niet alleen wat de stof, maar ook wat de methode betreft.

Dit laatste blijkt wel zeer duidelijk, als wij letten op de plaats, die de opvoeding bij Wells inneemt. Zij duurt het geheele leven lang. Zij staat geheel in het teeken der techniek; zij is techniek, toegepast op den mensch. Verwijd zijn horizont, scherp zijn inzicht, vorm zijne gewoonten, en hij zal komen waar gij hem hebben wilt; op de plaats, die hij in de wereldgemeenschap moet innemen. Zoo draagt de opvoeding een technisch, zoo niet een mechanisch karakter. Zij is eene soort van hoogere dressuur. Dit is mogelijk, ook omdat voor Wells vrijheid eigenlijk niet bestaat. De mensch is een natuurlijk wezen, in dien zin, dat hij het product is van natuurlijke factoren zonder iets eigens te zijn, iets van hoogere, zedelijke of godsdienstige orde. De zedelijkheid is niet anders dan „social behaviour"; de godsdienst dan misduid cosmisch gevoel.

Vandaar dat Wells, bij al zijn optimisme, ten slotte pessimist is wat betreft den mensch. De mensch wordt door de gemeenschap niet anders; hij gedraagt zich alleen anders. Zijn egoïsme is niet overwonnen; het is in hooger verband opgenomen, het is, als men wil, collectief menschelijk egoïsme, maar het is niet weg. Wij herinneren ons, hoe Wells erkent, dat „man almost to the present day has remained at heart still the early savage." In de maatschappij der toekomst komen dan ook wonderlijke dingen voor. Men denke aan het melodramatische interludium en aan de misdaden, die ook in den geluks-staat nog altijd worden geregistreerd. En in den mensch, hoe zorgvuldig ook opgevoed, huist toch altijd nog het oorspronkelijke wilde dier. De onsterfelijke mensch, „Man the Undying", is bijna altijd nog „the early savage", ook in den modernen staat. „La béte humaine" verloochent zich dus niet. De geheele opvoeding is niet anders dan een beschaafde dressuur. De moderne staat lijkt meer op een dierenpark dan op een paradijs.

Dit ligt voor de hand, als inderdaad het natuurlijke, in den zin van het gegevene, het een en al is en slechts op ontwikkeling, redelijke en technische, wacht. Wells blijft in gebreke om aan te

Sluiten