is toegevoegd aan uw favorieten.

Von Hartmann

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

herleid tot wil (kracht) en voorstelling (orde).

Evenals nu de wereld-kracht of wereld-wil tot den Absoluten wereld-Geest moest worden teruggeleid, zoo blijkt de wereldorde een openbaring Zijner redelijkheid, Zijner voorstelling. Een en ander zal in het vervolg nader bevestigd worden.

Dat wil en voorstelling in de werkelijke wereld, onafhankelijk van 's menschen bewustzijn, bestaan, houdt tevens in, dat hier wederom het onbewuste een belangrijke plaats moet worden toegekend. Wij kunnen daarbij tevens beter dan straks begrijpen, hoe Hartmann zich het ontstaan des bewustzijns denkt. De atomen zijn kracht-centra, dus als het ware haarden van uitstralende kracht (wil). Werd deze kracht nimmer „gehemmt", trad ze nimmer in conflict, dan zou er nimmer bewustzijn kunnen ontstaan, want dan zou ze zich onafgebroken, dus onbewust in het onbestemde verliezen. Het blijkt nu echter, dat de uit de kracht-haarden (atomen) uitstralende krachten niet maar „ungehemmt" blijven, integendeel door attractie en repulsie, aantrekking en afstooting zijn reeds de atomen in onderling conflict begrepen. En daarom ontstaat het bewustzijn, zij het ook in nauwelijks geldenden graad, reeds bij hen. Gelijk wij nader bij de uiteenzetting van Hartmann's psychologische beginselen zullen zien, wordt dit bewustzijn dan in de „levende" wezens steeds hooger opgevoerd, totdat het in den mensch zijn toppunt bereikt.

De tweede hoofd-kwestie, in de natuurwetenschap aan de orde, heeft betrekking op de vraag, of er een principieel onderscheid moet worden aangenomen tusschen de anorganische en organische, de doode en de levende stof.

Gelijk bekend is hield men het er vroeger voor, dat de zoogenaamde levens-kracht als een b ij komende kracht naast de reeds in de anorganische wereld bestaande moest worden gedacht. Deze beschouwing werd dan „vitalisme" genoemd.

Door het exact physisch onderzoek is echter gebleken, dat de wet van het behoud van arbeidsvermogen, van kracht of energie ook op het gebied van de levende stof niet wordt

112