Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het alogische attribuut in den wereld-Geest zich absoluut toevallig (want dit attribuut is onredelijk in zich zelf) van uit de rust, de potentie verhief tot actualiteit. Het andere attribuut echter, het logische, de voorstelling, is met den alogischen wil in den Absoluten Geest (hun substantie, hun eenheid) verbonden. Daarom, toen de alogische wil zich verhief, moest ook onmiddellijk de logische voorstelling mede in het aanvangende wereld-gebeuren betrokken worden. De zich verheffende wil maakte aldus de voorstelling werkelijk, vol; de voorstelling ordende dien zich verheffenden wil onmiddellijk naar redelijkheid.

Laten wij met een eenvoudig voorbeeld een en ander trachten toe te lichten: indien wij in den grond graven, totdat wij op een bronwel treffen, dan springt het water met kracht naar omhoog en toch ook weder is dit water geordend in stralen. Indien er uit den Vesuvius een uitbarsting losbreekt, dan springen de heete lava-stroomen met geweld omhoog en toch ook weder verdeelen en splitsen zich die stroomen in vlammen-tongen.

Zoo nu, bij gelijkenis gesproken, verhief zich de alogische wil uit den afgrond van het rustend Goddelijk Wezen; mét dat hij zich redeloos, dat is dus absoluut toevallig verhief, was echter het logische attribuut daar om den alogischen wil naar de idee, naar de eeuwige, rustende denkmogelijkheid in God, te ordenen en alzoo ontstond de wereld in haar tweeledig bestaan: gegrond in de kracht, het conflict, den strijd, den onlust, het redelooze; geordend naar de wet, de idee, het redelijke.

Wij moeten hierbij goed in het oog houden, dat Hartmann tot zijne beschouwingen aangaande de wereld-wording wederom inductief uit het tweeledig bestaan van het universum voortgaat. Men moge daarbij, evenals schrijver dezes, van hem verschillen, men vergete echter niet, dat deze zijne kosmogonie maar niet zonder meer in de lucht hangt, gelijk men dat wel eens wil doen voorkomen.

Tot zijn kosmogonie wordt hij voortgedreven door het zijn

123

Sluiten