is toegevoegd aan uw favorieten.

Von Hartmann

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

illusorische zaligheid, die nimmer en nergens, zoolang het tijd-ruimtelijke proces voortgaat, te grijpen is.

Deze Welt-erlösung is tevens Gott-erlösung en zij geschiedt niet doordat „de mensch God verlost". Integendeel, ze geschiedt, gelijk wij voorloopig zagen, doordat de onbewuste wijsheid van den Absoluten Geest reeds onmiddellijk van den aanvang af der wereld-wording (door den alogischen wil ingezet) het bewustzijn schiep als middel om de wereld-verlossing mogelijk te maken.

Hartmann's stelling aangaande de persoonlijkheid en het zedelijk leven verstaan wij intusschen nu zuiverder en begrijpen, hoe het hoogste beginsel der zedeleer daarin moet bestaan, dat men de doeleinden van den Absoluten Onbewusten Geest, den wereld-Schepper, tot doeleinden van het bewustzijn stelle, dat men het leed der wereld daarbij niet ontvlucht maar „in der Schmiede des Weltleids" sterk worde gemaakt om zijn kruis te dragen.

Het is hier de plaats om er op te wijzen, dat in Hartmann's pessimisme de wereld-vlucht geen recht heeft. Integendeel, men moet zich met alle krachten wijden aan het ontwikkelings- en cultuur-proces. Want dit is de voorwaarde tot de verrijking des algemeen-menschelijken bewustzijns, hetwelk aldus moet worden verhelderd, opdat het eindelijk tot het hoogste inzicht kome: de wereld is beter niet dan wel, derhalve moet ze worden opgeheven. Voordat het bewustzijn der menschheid tot deze visie gekomen is, moet het den ganschen gang der evolutie doormaken. En aldus worden wetenschap, kunst, zedelijkheid, religie en philosofie, ieder op zichzelf en allen te zamen, middelen waardoor het einddoel der wereld zijn verwerkelijking nabij wordt gebracht. Derhalve noemt Hartmann zijn stelsel eenerzijds eudsemonistisch pessimisme (de leer, die van het wereld-bestaan geen zaligheid verwachten kan) maar aan den anderen kant evolutionistisch optimisme (de leer, die de evolutie, de ontwikkeling van den algemeen-menschelijken aanleg in het cultuur-proces met alle krachten bevorderen wil).

129