Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn uitspraak: „Die gemeine Logik sagt: ich denke; wir behaupten: das Wissen denkt" (Nagel. W. I, 245) pleit daarvoor.

FlCHTE streeft dus niet naar een dood systeem maar hij tracht het innerlijke van het weten te doorgronden. Hij zoekt naar den grondslag, die alle overtuiging dragen moet, naar onwankelbare vastheid.

Men wane dan ook niet, dat FlCHTE met zijn ik het individueel-willekeurige van den enkeling op het oog zoude hebben. Hij dringt door tot het ik als wereld-principe.

Om daartoe te komen, vragen we nu allereerst: wat houdt de leer aangaande het weten, wat houdt de „Wissenschaftslehre" in?

FlCHTE spreekt zich daaromtrent ergens aldus uit: „Deze leer put al het menschelijke weten naar zijn grondtrekken uit. Zij zegt den wetenschappelijken man, wat hij weten kan en wat niet, waarnaar hij vragen kan en moet, zij geeft hem de orde der in te stellen onderzoekingen aan, zij leert hem, hoe hij deze onderzoekingen heeft in te stellen en te betoogen" (II, 407). De wetenschaps-leer is dus de wetenschap van de wetenschap, de wetenschap van het weten.

Hoe komt wetenschap, hoe komt ervaring tot stand? — dit is daarbij de cardinale kwestie, die Fichte's onderzoek leidt.

Aangezien het i k de drager is van alle aanschouwende en denkende functies des geestes (de functies, die naar Kant's ontdekking voorwaarde tot het ware weten zijn), — zoo moet dit ik allereerst in zijn beteekenis naar voren worden gekeerd.

Nu zagen wij, dat het i k niet een „ding" onder de dingen heeten mag en dat juist deze ontdekking FlCHTE tot zijn systeem der vrijheid bracht. Het ik kan niet zijn een „Thatsache". Maar wat is het dan?

FlCHTE antwoordt: het is een „Thathandlung".

Immers de wereld van dingen („Thatsachen") vooronderstelt reeds het bewustzijn, het voorstellende ik (zie boven).

171

Sluiten