Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De absoluut onvoorwaardelijke „Thathandlung", die alles draagt, is deze, dat het ik zichzelf zet. Dit ik is, gelijk wij opmerkten, echter niet het individu als enkeling. Wel kan iedere persoon dit i k in zich vinden als het noodzakelijk element, dat aan ons geestelijk leven ten grondslag ligt als de noodzakelijke handeling, die zich in ieder onzer voltrekken moet. Alle individuen zijn in de eene groote eenheid van den reinen Geest besloten.

Met de aanwijzing, dat de handeling van het zichzelf zettende ik het onvoorwaardelijk eerste is, blijkt tevens gegeven, dat alle realiteit, alle werkelijkheid, die niet een realiteit voor het ik is, onmogelijk moet wezen. Het ik is de noodzakelijke grens, boven welke uit niets geweten kan worden, het is de absoluut laatste voorwaarde. De beteekenis der „critische philosofie" zou juist hierin bestaan, dat zij deze voorwaarde tot alle mogelijke werkelijkheid heeft aangetoond.

Is het zich zelf zetten van het i k onvoorwaardelijk eerste, dan moet al het andere door dit ik bepaald heeten.

Bij deze „Thathandlung" gaat het dus niet om het menschelijk bewustzijn en zijn organisatie maar om het weten, om de absoluut noodzakelijke grondwet voor alle weten. Ook het Goddelijk weten kan niet anders aanvangen dan met de handeling van het zich zelf zettende ik. Alle werkelijkheid dus, die buiten de grens van het i k = i k bestaan zouden, alle realiteit „an sich" is een volkomen onmogelijkheid.

Daarom luidt Fichte's tweede grond-stelling: tegenover het ik wordt een niet-ik gesteld. Dit niet-ik kan slechts daardoor wórden gekend, dat het als negatie van het i k wordt beschouwd. Naar zijn inhoud blijkt het dus door het ik bepaald. Er zoude geen niet-ik zijn, als er geen i k was. Alles, wat het niet-ik is, is het slechts in zijn relatie tot het ik.

Het subject zet derhalve ook het object (de natuur) tegenover zich.

177

Sluiten