Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hierboven (bldz. 8) hebben we aangeduid, hoe Fichte in de activiteit van het wereld-zettend I k tweeërlei richting onderscheidde: een expansieve en een contraheerende, en hoe deze beide krachtsopenbaringen in wezen gelijk zijn aan de twee polaire krachten repulsie en attractie, waartoe de materie moet worden teruggeleid.

Op dit voetspoor nu komt schelling er toe om de materie als een schepping van den geest te beschouwen en aldus hare krachten transcendentaal, uit het wezen des geestes, te „begründen". Want, gelijk bij Fichte het niet-ik wordt gezet door het Ik naar zijn expansieve activiteit, zoo bij schelling de materie door de aanschouwing des geestes en wel zonder bewustzijn. We kunnen dit alleen dan verstaan, indien wij bedenken, dat het bewuste ik bij Schelling wordt voortgebracht door de onbewuste intelligentie der natuur. Hoe nu is deze natuur gezet, geschapen? Door de aanschouwing van de oorspronkelijke productiviteit, van de natura naturans (zie boven). „Aanschouwing" is hier dus onmiddellijke, intellectueele, expansieve, wereld-scheppende kracht. Het bewuste verstand des menschen is aan deze aanschouwing natuurlijk verwant. Want juist daardoor komt het ertoe, de natuur te doorgronden. Maar toch ook, aan den anderen kant, vindt het bewuste, abstracte verstand het resultaat van die oorspronkelijke, onbewuste, wereldscheppende aanschouwing der natura naturans als objectieve materieele wereld tegenover zich.

De natuur als kenbaar voor het verstand blijkt aldus een object, dat in de aanschouwing is gegrond, en wel: een dynamisch proces, welks grond-factoren de tegenovergestelde krachten: repulsie en attractie zijn. Het hoofd-verschil in de lichamen wordt bepaald door de grond-verhoudingen dezer krachten. Dus moet de natuur zeli een proces van aanschouwing en kennis wezen met andere woorden: de natuur is niet slechts (zooals de empirische wetenschap haar

118

Sluiten