is toegevoegd aan uw favorieten.

Schelling

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meest afgetrokkene (de reflectie). Door de laatste komt de mensch welbewust tot zijn wils-daden. Want in de reflectie, het afgetrokken denken staat' de menschelijke, bewuste geest vrij beschouwend tegenover zijn objecten. Hier ook doorschouwt het ik eigen activiteit, het ziet zichzelf handelen, het komt tot zelfaanschouwing en weet nu wat het wil. In de wilsdaad breekt derhalve de vrijheid der intelligentie door.

Aldus gaat Schelling over tot het tweede, het practisch deel van zijn transcendentaal systeem.

Hij grondt dit op de stelling, dat de menschelijke geest hier niet meer aanschouwend (dat is onbewust) te werk gaat maar met bewustzijn produceerend, dat wil zeggen zijn voorstellingen in zijn handelingen verwerkelijkend. Zooals nu uit de oorspronkelijke daad van het zelfbewustzijn (vrgl. de „intellektuelle Anschauung"), uit de onbewuste intelligentie, zich de natuur ontwikkelde, zoo komt uit de tweede daad der vrije zelfbepaling (de reflectie) een tweede „natuur", die van de practische daad, voort.

De verheffing van de menschelijke intelligentie boven de objectieve wereld (de natuur) en wel door abstractie, reflectie maakt het ik (das ganze Ich) vrij. Nu doorschouwt dit ik, gelijk wij reeds opmerkten, eigen activiteit en ook het product daarvan, het ziet zichzelf handelen als subject-object.

Dit laatste nu kan volgens schelling slechts geschieden door den wil. Genoemde abstractie n.1. kan slechts verklaard worden doordat de (menschelijke) intelligentie zich zelf bepaalt. „Die absolute Abstraction, d. h. der Anfang des Bewusstseins, ist nur erklarbar aus einem Selbstbestimmen, oder einem Handelen der Intelligenz auf sich selbst. Jenes Selbstbestimmen der Intelligenz heisst Wollen in der allgemeinsten Bedeutung des Worts". Dat in ieder willen een zich-zelf-bepalen ligt, dat kan ieder door innerlijke aanschouwing zichzelf bewijzen, indien hij n.1. niet denkt aan een bepaald willen, dat zich op een of ander voorwerp richt; maar aan het „transcendentale Selbstbestimmen", aan de

228