Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrije, wordt in de geschiedenis (het slot der pract. philosofie) nog slechts verwerkelijkt als oneindig proces.

Hoe ontdekken we haar echter in het heden?

ScHELLING's antwoord luidt: in het kunst-product. Want, zooals in het objectieve natuur-product onbewuste doelstelling is te ontdekken, die als zoodanig (n.1. juist als doelstelling) met het bewustzijn verwant moet zijn, op het bewustzijn gelijkt, — zoo is het kunst-werk een bewust product, dat toch ook weder uit de onbewuste diepten van des kunstenaars geest geboren wordt. In de kunst dus komt de wereldscheppende intelligentie, die in de natuur onbewust, in den kunstenaar onbewust-bewust produceert, tot volkomen zelfaanschouwing. De „intellektuelle Anschauung" krijgt objectiviteit. Vandaar de oneindige bevrediging, die de scheppende kunstenaar ervaart. Want hier zijn de tegenstrijdigheden, waarin het wereld-gebeuren staat, opgelost, de identiteit aan den dag.

Zoo is de kunst de „einzige und ewige Offenbarung", ja de hoogste, die ons van het Absolute, de identiteit der tegenstrijdigheden, overtuigt. „Gelijk de aesthetische productie uitgaat van het gevoel eener schijnbaar onoplosbare tegenstrijdigheid, evenzoo eindigt zij naar de belijdenis aller kunstenaars, en van allen, die hun bezieling deelen, in het gevoel eener oneindige harmonie, met ontroering" (617/18).

Vandaar ook, dat de ware kunstenaar zich als door een hoogere macht, een noodlot gedreven weet. Dit „Schicksal" is het genie, het scheppende. Vandaar, dat het genie voor de aesthetica hetzelfde is, wat het ik voor de philosofie wezen moest: „das Höchste, absolut Reelle, was selbst nie objectiv wird, aber sache alles Objectiven ist".

Wijl de kunst aldus uit de diepte van het wereld-gebeuren wordt voortgedreven en het grond-karakter van het kunstwerk „eine bewusstlose Unendlichkeit" (619) blijkt, daarom schept de kunstenaar zooveel meer dan hij zelf weet, dan hij zelf bewust is.

Vereeniging van noodzakelijkheid en vrijheid, van onbe-

235

Sluiten