Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wuste en bewuste activiteit in den kunstenaar geeft aan de schoonheid het karakter van het oneindige, als eindig verwerkelijkt. „Das Unendliche endlich dargestellt ist Schönheit" (620).

En het kunst-product is er slechts om zijns zelfs wil. De heiligheid en de reinheid der kunst bestaat dan ook daarin, dat zij geen uiterlijk doel dient, noch zinnelijke bekoring, noch maatschappelijk nut, noch zedelijke noch wetenschappelijke vorming.

De kunst wordt voor SCHELLING op deze wijze „das wahre und ewige Organon zugleich und Document der Philosophie". Het ik als productieve „Anschauung", onbewuste en bewuste, treedt hier aan den dag. Het onbewuste en het bewuste produceeren en handelen in natuur- en geesteswereld wordt hier in zijn oorspronkelijke identiteit openbaar. „De kunst is juist daarom voor den philosoof het hoogste, wijl zij hem als het ware het Allerheiligste opent, waar in eeuwige en oorspronkelijke vereeniging, in één vlam brandt, wat in natuur en geschiedenis gescheiden is en wat in leven en handelen zoowel als in het denken „ewig sich fliehen muss" (627/8).

Zoo blijkt het system gesloten, wijl in zijn aanvangs-punt teruggekeerd. De „intellektuelle Anschauung" is objectief geworden in de aesthetische. Het thema van ons onderzoek bestond in de voortgaande ontwikkeling of potentieering van de zelf-aanschouwing, of wel in de geschiedenis van het zelfbewustzijn, die zich in drie trappen voltrekt; het theoretische ik is wereld-aanschouwend, het practische wereld-ordenend, het sesthetische wereld-scheppend.

In zake de verhouding tusschen n a t u u r (onbewuste scheppings-drang, waarin het begrip niet van de daad, het ontwerp niet van de uitvoering gescheiden wordt) en kunst deelen wij alleen deze gedachte mede, dat het natuurproduct slechts één oogenblik van vol ontplooid leven, van volle schoone verschijning heeft. In dit oogenblik is het, wat het in de gansche eeuwigheid is. Buiten dit oogenblik is het slechts wordend, vergankelijk. Maar de kunst,

236

Sluiten