Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afval, gegrond in de vrijheid van het Goddelijk tegenbeeld. „Wie in dem Gedichte des Dante, geht auch in der Philosophie nur durch den Abgrund der Weg zum Himmel". Wij bepalen ons echter tot genoemd hoofdwerk.

Bij zijn onderzoek komt SCHELLING terug op zijn reeds vroeger aangeduide wils-leer en concludeert tot den wil als wereld-beginsel aldus: „Er is ter laatster en hoogster instantie volstrekt geen ander zijn dan het willen. Willen is oer-zijn, en hierop alleen passen alle praedicaten des zijns: grondeloosheid, eeuwigheid, onafhankelijkheid van den tijd, „Selbstbejahung". De gansche philosofie streeft slechts daarnaar, deze hoogste uitdrukking van wat het zijn is te vinden" (I, 7, 350).

Tot zoover is deze dan ook in het idealisme gekomen. De vrijheid heeft zij als wereld-principe, als oer-zijn, als het intelligibele wezen, het ,,an sich" aller dingen gehuldigd. Alles is ik-heid, vrijheid, wil. Maar daarmede is het specifiek karakter der menschel ij ke, moreele vrijheid nog niet opgelost. En daarom blijft te onderzoeken „de vrijheid als het vermogen tot goed en kwaad".

Dit onderzoek kan een volledig antwoord vinden, indien zoowel het Gods-begrip als dat van het booze en de vrijheid ten volle tot hun recht komen. Zulks wederom is dan slechts mogelijk, indien wij de immanentie, het bestaan der dingen in God (zonder welke geen vrijheid denkbaar is) handhaven naast het dualisme, de tegenstelling van beide (evenzeer noodzakelijk voor het bestaan der vrijheid). Het booze toch is slechts door vrijheid mogelijk en vordert een wortel, onafhankelijk van God, terwijl aan den anderen kant de vrijheid zelve slechts in God mogelijk kan wezen. We moeten hier dus vereenigen datgene wat in God gegrond staat (de vrijheid) en wat niet in God gegrond staat (het vermogen tot het kwade). Het booze is dus ten slotte dan slechts mogelijk, als er in God iets is, dat niet God zelf is.

Met een enkelen trek weergegeven, komt het diepzinnig

240

Sluiten