is toegevoegd aan uw favorieten.

Schelling

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan al het werkelijke is tweeërlei te erkennen. Het zijn twee geheel verschillende zaken, te weten, wat iets is (quid est) en dat het is (quod est). Het eerste, het antwoord op de vraag „wat iets is ?' geeft mij inzicht in het wezen van dat ding of, met andere woorden, het maakt, dat ik verstand of begrip daarvan heb, of het zelf in mijn begrip heb. Het tweede echter, het inzicht, dat het een of ander is, geeft mij niet slechts het begrip van die zaak maar iets meer, iets wat boven het begrip uitgaat, n.1. de existentie (11,3,57).

Deze ontdekking nu past SCHELLING toe op zijn potentieleer en brengt haar dan wederom in verband met de vraag naar het bestaan en de verhouding van God en wereld.

Aangezien het denken geen existentie geven kan, moest de negatieve of rationeele philosofie slechts tot God als idee komen. De wil echter verlangt een werkelijken God. „Ihn, ihn, will der Mensch haben, den Gott der handelt, bei dem eine Vorsehung ist, der als ein selbst thatsachlicher dem Thatsachlichen des Abfalls entgegentreten kann, kurz der Herr des Seins (II, 1, 566).

Dit verlangen naar een werkelijken God is religie en de philosofie moet dus bij de beschouwing der religie evenzeer haar positief karakter openbaren. Zij is, aangezien de religie in een vrije wils-daad wortelt, hier niet meer rationeel (daar zij niet meer het slechts denkbare tot voorwerp heeft) maar haar taak is : de feitelijk gegeven religie te verklaren, waarbij alles wordt afgeleid van God, als principe, waartoe de negatieve philosofie heen-leidde. De philosofie der religie mag dus niet verwisseld worden met de zoogenaamde „Vernunftreligion" en heeft tot voorwerp van onderzoek deels de wordende (mythologie), deels de volgroeide religie (de openbaring in den Christus). In de laatste onderscheidt SCHELLING het Petrinisch (Roomsch), Paulinisch (Protestant) en het Johanneisch (het komend) Christendom. —

244