Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

343 Van de Polygamie.

te gelooven, dat de alwyze GOD zulk eene uitdruk kelyke wet zou gegeven hebben, indien 'er geene perfonen waren , die de voorwerpen daar van konden wezen, en dat deze wet zekere onhandigheden die niet in wezen waren, zoude geregeld hebben: ook is het nier gemaklyk te begrypen, waarom die omfrandigheden, indien ze zondig waren, niet even klaarlyk veroordeeld zouden zyn, ais ze duidelyk toegelaten en geregeld zyn geworden. Hetgeen hierboven is aangemerkt, aangaande de wet van Deut. XXL 15. blyft even zoo waar ten opzichte van die van.Exod. XXI. 10. dewelke even min als de andere, op de Aartsvaderen en de Koningen kan betreklyk zyn. Ik kan dit gedeelte van myn onderwerp niet fluiten

i, ten lande, een Jood. die een wyf gehuwd en geene kin„ deren van haar bekomen had, na verloop van tien jaren ii eene andere vrouwe mogt tüQUwen: en dat desgelyks , wanneer een man eene maagd onteerde, zy hem ter „ vrouwe moest wezen, overeenkomstig met Exod. XXII. „ 16. en Deut. XXII. 28. 29." Ik oordeel.de waarheid te zyn, dat dg Joden , ten opzichte der polygamie, zich gemeenlyk naar het gebruik des lands, waarin zy woonen . ge.' woon zyn te voegen. Aangaande de hedendaagfche Jo„ den" (zegt Leo Mutinenfis) „ zoo onderhouden die, welke in het Oosten woonen, nog altoos hunne oude » gewoonte der polygamie; waar tegens ze in Duitschland ,. dat voorrecht niet, en in Italien zeer zeldzaam genie*« ten ; nan?e!yk alleen in gevalle een man tien jaren met ,, eene vrouwe heeft gehuwd geweest zonder een naza?,t .. te bekomen. Zie Puffend. VI. b. 1 c. §. 16.

Sluiten