Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kamerfpef.

37

Wel vroeg hy dan weeder, benje dan van'Savoye

tot hier aan Batavia over Land gegaan ? Ik antwoorden, ja in neegen daagen, dog ik heb

weinig (til geftaan, En daar meê zo nam hy zyn affcheid van die twee

lieve Susjes, Gut wat wierd ik groen, want het waar niet als

kusjes, kusjes, Dat dit jonge goed op elkander gaf, En daar op zong ik,

ZANG. Voys: ó ! Scboone maagd u lieve Lonken. Laat af, laat af, Dit dommineeren

En fineeren, Brengt ons in naaren Graf, Schoon gy de Min, pleeg na « zin, Gy zult het in het eind bezuur en,

De Min, de Min, Heeft raaren kuur en, Jlookt Vuitren En Jlort veel rampen in. Zoo dat niet waar is Monneurs, zeg vry dat ik een

Loogenaar bin, Want een die in Ooft-Inje te veel met de Vrouwlui in de bogt wil fpringen, Die mag of zal wel dit Liedje zingen:

ZANG. Voys: Van Pierelala. Jk heb myn Geldje door gebragt, Met Meisjes van Plaizier, Maar nu zoo voord ik uitgelagt, Dat komt al van de zwier. Ik en myn Maat dronken op elkanders gezondheid

een Vies Zuiker Bier, Want Wyn mogt'er by me zolen niet overfebieten; En wie zou zes Schellingen geeven voor een Botelje, die niet beter waard is, als om in de Goot te gieten,

En zö leefden ik op myn Maats genaden, wel een week of tien, C 3 Maar

Sluiten