Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

350 GÏBRlKEN

krijgen een fcherpe , garftige Gijl, daer die Olieachtige Voed/els in de hitte der mage verbranden, en een vuileri, Hinkenden droesfem nalaten Als men veel vet gegeten heeft rispt men een fcherp, brandend vogt op, dat een leeliken garstigen fmaek heeft. Wanneer de Gijl met dit ranfche befmet is, heeft men:

Pijn voor het Harte. Wat men Pijn voor het Harte noemt, hebbe ik gezegd (209) Wanneer men veel Vet, Merg, Lever van Visfchen heeft gegeten, voelt men meenigmaal eene brandende Pijn voor het Harte. Het Harte brandt af, gelijk het gemeen zegt. Als men oprispt, is het of de Keel door vuer weid aengeraekt. Velen geloven, dat zij het zuer hebben, en verwonderen zich , dat zij van een weeinig Citroenfap fomtijds eenige hulp voelen. Als zul ken dat zoogenaemde zuer in het vuer fpuwen, vat het vlam, dat het ware zuer niet doet, om dat dit het vuer uitbluscht. Dit garstige noemt men eigenlijk de Zode, om dat het als ziedt. Het olieachtige, dat oprispt, is fomtijds bitter in de keel als roet, waerom men zich niet behoeft te verwonderen, dat het de krop van de Maeg prikkelende, Pijn verwekt.

Walging, Braking. Het bedorven olieachtige brengt deze voort even als het Rotte, waermede het

veel

Sluiten