Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I KT DE VOGTEN". gij

in de Slagaders, als het zich fluit; deze drijven door hare fpierige kragt zoo wel als door hare veerkragt, als het Hart rust, het Bloed voort. Het Harte is echter de voornaemfte Oorzaek der voortgaende Beweging; want wanneer de Slagaders in hare famentrekking den kleinften diameter hebben, dat is als zij zeer naeuw zijn, zouden zij rusten, zoo ze niet weder door het Bloed, uit het Harte voortgeftooten, verwijd werden. Het Harte ftilftaende , rusten alle vogten. De Slagaders, de Spieren, tusfen welken zij loopen, helpen het Bloed voortftooten, gelijk dit ook door de Spieren in de Aderen gefchiedt. Alles wat derhalven de werking van het Harte en der andere vaste doelen vermeerdert, verfnek de voortgaende Beweging. Sterker bewegingen der Spieren; heete,fcher* pe, fpecerijachtige, zoute, zure, alkaliefche, bedorven ftoffen, die in het Bloed komen, prikkelen de vaste deelen , maken grooter famentrekking en beweging, die ook de vogten wordt medegedeeld. De Aendoeningen der Ziele hebben hier ook een groot vermogen. Een bedaerd mensch, in zoete kalmte gezeten, zich naer Ziel en Lichaem gerust bevindende, hoort zich onverwagt een fmadelijk verwijt doen, of herdenkt een geleden ongelijk. Straks verandert het geheel Lichaem door die verandering van het denkend wezen. Het Harte klopt, knijpt zich fneller toe; de pols wordt grooter, fterker, de Kk 4 het-

Sluiten