Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 27 )

daar mede als met de voorige tremen; en maakt de trekker vijf of zes voeten breed , en vier fchoppen diep ; de uitgedolven aarde word mede over de bedden verfpreicf. Wanneer een ftuk Land niet aan de polder legt, moet het rondom van zulke Trekkers voorzien zijn, die het water uit de kleine Trenfen ontvangen, en zich weder in de groote loos, polderfloot of trens ontlasten, Nu gaat men eenen koker op de gelegenfte plaats onder den dijk of dam leggen, om in de Regentijden het water uit den grond in de Rivier te ontlasten; men maakt dezelve gewoonlijk van dertien planken, die een en een half duim dik, twaalf, dertien of veertien duim breed, en twintig voeten lang zijn, men gebruikt drie planken van ;boven ,f drie beneden, en aan ieder zijde, en een voor de deur; en maakt vierkante raamen, daar dezelve rondom aangefpijkert worden. Nu heeft hec ftuk zijne behoorlijke loozing, en een' dijk rondom, die de overftrooming van het water van buiten afkeerd, het heeft van binnen zijne behoorlijke kleine Trenfjn , die het water in de trekkers ontlasten, en deeze trekkers loozen dat weder in de groote loos floot; en die ontlast zich zo baast de ebbe komt,door den koker in de Rivier. De vloet wederkomende, word de deur van den koker toegemaakt, waardoor het water gefluit word , om weder binnen te kunnen komen.

Nu gaat men in het ftuk om het menigvuldig hout dat in den weg legt , om het te kunnen

Sluiten