Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

33° LEERREDE

wiens goedertierenheid tot de bovenfte wolken is, maar wiens oordeelen een groote afgrond zijn; een God, eindelijk, voor wien dezuiverfte geesten het driemaal heilig uitgalmen , zeggende: Heilig, heilig, heilig, enz.

B. Maar, Geliefden! omtrent zuiken God, zo onbegrijpelijk in zich zeiven , zo ontzaglijk in zijne hoogheid, majcfteit en almagt, zo volmaakt rein , dat geen de minile onreinigheid voor hem kan geduld worden, hoe kan daaromtrent zekere nabijheid met den mensch gevonden worden ? Immers dit is 't, 't geen onze tekst behelst, en vooral onze opmerking verdient.

't Is waar, 'tis een ontegenzeglijke waarheid, dat God , in zijne alomtegenwoordigheid befchouwd, zo als hij met zijn oneindig wezen hemel en aarde vervuld, nooit verre is van een iegelijk van ons , gelijk hij betoond door de werken zijner voorzienigheid ; maar 't is niet minder zeker en onbetwistbaar , dat de mensch door de zonde en ongehoorzaamheid verre van dien God is afgeweken, wijl daar door een wijde kloove gevestigd en groote fcheiding ontftaan is tusfchen den Schepper en het fchepzel, als welk om deze reden beroofd wierd van zijne volzalige gemeenfchap, verftooten van zijn aangezigte , zonder genot van zijne vriendfchap, zonder invloed van zijne gunst; want uwe on-

ge-

Sluiten