Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5o6 Over het gebruik der bijvoegende wijze,

Ik was beducht, dat u een ongeluk mogt overkomen, j'avois peur, qu'il ne vous arrivdt un malheur.

Maar wanneer men met zulk een werkwoord óntkennender wijze fpreeken wil, dan voegt men er nog pas, point, rien, perfonne, jamais, plus, que, of iet dergelijks bij; bij voorbeeld:

lk vrees, dat het morgen geen mooi weêr zijn zal, je crains, qu'il ne fasfe pas beau tems demain.

Ik vrees, dat niemand komen zal, je crains, que

perfonne ne vlenne. Ik vrees , dat hij er niets aan doen zal, je crains,

qu'il rfen fasfe rien. ' Ik vrees, dat hij geen geld hebben zal, je crains,

qu'il n'ait point d'argent. Ik vrees, dat hij nooit rijk zal worden, je crains,

qu'il ne devienne jamals riche. Ik vrees, dat hij er niet meer van zal hebben,

je crains., qu'il n'en ait plus. Ik vrees, dat hij niet dan laat komen zal, je

crains, qu'il ne vlenne que tard.

Zo is het ook met de voegwoorden de peur que, de crainte que gelegen:

Uit vreeze, dat hij hier kome, de peur, de crainte

qu'il ne vlenne ici. Uit vreeze, dat hij het niet doe, de peur, de

crainte qu'il ne le fasfe pas.

Doch indien het werkwoord vreezen, of het voegwoord uit vreeze, de onbepaalde wijze, F Infinitif, na zich neemt, zo fchikt zich 't Fransch naar het Nederduitsch:

Hij vreest te moeten bukken, // craint de devoir plier.

Sluiten