Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Koningen van Juda en Israël. y. Boek.

II. Hoofdst.

478 GESCHIEDENIS des

onder anderen, het voornaamfte altaar der Syrifche Godin aanwyzen,, verwonderde zig over hetzelve, en wenschte een foortgelyk te bezitten. Dit was niet enkel volgzugt; maar hy liet zig diets maaken ,. of kwam zelf op den inval, ,, dat, indien hy vroe„ ger den Goden van Syrië geofferd had, „ hy die nederlaag van den kant van Rezin „ en Pekah niet geleeden zou hebben;" maar vergat 'er by, dat Rczins Goden niet inftaat geweest waren , hunnen aanbidder tegen de magt van Asfyrië tc befchermen. De nakomeling van David deed thans juist het tegenovergeftelde van 't geen de Syriër Naaman gedaan had. Deeze had de eenvoudigfte foort van altaar uit het land Israël mede naar Damaskus genomen , tot verheerlyking van den waaren God; — Achas nam te Damaskus een modél van het kostbaarfte afgodsaltaar , tot onteering van dien zelfden waaren God. Hy kon zelfs naauwelyks het oogenblik afwagten, dat hy voor hetzelve kon offeren; zond het modél vooruit aan den Priefter Uria (*), met bevel, om het werk , zonder ui titel , te laaten vervaardigen, „ opdat het af ware, wanneer „ de Koning van Damaskus terug kwame." — Een trek die zyn geheel karakter bloodlegt. — De Priefter durfde of wilde 'er zig niet tegen verzetten. Hy deed het. altaar , volgens de gezondene afbeelding, tot 's Konings volkomen genoegen , vervaardigen. Naauwlyks was hy uit Syrië te

huis y

C) Van wien ook Jef. VIII. a. gefproken wordï.

Sluiten