Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KoNINGET

van Jüd: en Israël ,V. Boek.

II.

Hoofdst.

En doe:, ir *t eind, hel heiligdom zelfs toe-

4go GESCHIEDENIS der

i den vloer geplaatst. De zuilengaandery i om het voorhof^ onderging mede veran" dering.

En dewyl, met dat alles, de oude dienst des Tempels zig met den nieuwen Syrjfchen nier, wel plooien liet , deed Achas in 't eind het Heiligdom zelf, als iets, 't welk gefchikt tot den dienst van Jehova , niet wel meer tot eenen anderen dienst veranderd kon. worden, toefluiten (*); de voorhoven daarentegen, en verfchcidene andere plaatfen der ftad tot den plegtigen dienst der afgoden inrigten. De altaaren der Afgoden werden egter ook welhaast in alle andere Steden van Judea gevonden.

't Eenigfte (offchoon zekerlyk het voornaamfte (f) ) oogmerk van deeze fchikkingen was egter niet, om zig by die gewaande Godheden bemind te maaken ; maar hy deed zulks waarfchynlyk ook, om zynen befchermer, den Koning van Asfyrië, te bchaagen. Misfehien was het, om deszelfs byzonderen fmaak in de Syrifche afgodery te ftreelen, dat Achas het altaar te Damaskus zo groot eenen voorrang boven zyn eigen inruimde. — By den afgodendienst heerschte eene groote verfcheidenheid in fmaak; gaarne liet zig de overwonnene, ' of afhangeling, welgevallen, zig ook in dit opzigt naar het goeddunken, of de grillen van zynep gebieder te fchikken , vooral wanneer 'er ook aan zyne eigene neiging

tot

(*) 2 Chron. XXVIII. 24, (f) Aldaar vs. 23.

Sluiten