Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Regenten van Juda. 1. Boek. III.

boofdsx.

324 GESCHIEDENIS dér „ hova, de God van 't heir des hemels^ „ fpreekt: Op éénen dag zal ik alle de zon„ den des lands uitdelgen. Dan , zo fpreeks „ God, zal de een den anderen noodigen „ onder zynen wynftok en vygeboom".

't Was wel vermoedelyk, dat 'er ook by de Zienders, na de ballingfchap , Godfpraaken voorkomen zouden , die betreklyk waren op dezelfde groote perfoonaadje, die de vroeger Profeeten reeds op zo menigerhande wyzen aankondigden. En van deeze Godfpraak is zulks niet te ontkennen. Maar zekerlyk heeft de wys van voorftellen weder zo veel eigens, dat men duidelyk ziet, dat dit groote voorwerp der verwagting toen reeds uit verfchillende oogpunten befchouwd werd, en de laater Profeeten hunne afbeeldingen daarvan niet altoos naar het ontwerp der vroeger Zienders uitwerkten. Den opkomenden zullen wy by Zacharias nog eens ontmoeten.

In dit zelfde gezigt verdiend ook opgemerkt te worden het denkbeeld van een'Befchuldiger (Satan), die des Opperpriesters voorbede vèrydelen wil, waarop in het zelfde gezigt, daar van den Mesfias gefproken wordt, deeze woorden flaan: „ Op éénen „ dag zal ik alle zonden des lands uitdelgen". De Befchuldiger befchryft, naamelyk , den Priester en het volk, als zo vol gebreken, dat hunne offeranden en hunne priesterlyke bediening geene; waarde meer hadden. Daarentegen wordt den Opperpriester (en door hem het volk) genade toegezegd, — en, dat 'er iemand komen zou,door welken men

eene

Sluiten