Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ISRAËLIETEN. 485

pm den Israëlieten nadeel toe te brengen, ft welk zy anders nooit verzuimden , als anderen daarin voorgingen.

Eene andere vermaaniog beftraft misbrui. ken, die by de Priesters in zwang gingen. God, die lpreekende ingevoerd wordt, beRraft zyne Priesters, dat zy de gewigtigRe gedeelten hunner bediening zo floilyk waarnamen. „ Een zoon zal zynen vader eeren ; ,, een knegt zynen heen Ben ik dan een j, vader, waarmede doet gy my eer aan?

Ben ik een heer , waarmede bewyst gy „ ontzag? Dit zegt Jehova, de God der „ goden, tot u, ö Priesters; ontheiligers ,-, van mynen naam. Gy vraagt : „ waar„ mede ontheiligen wy uwen naam"?Daar,, mede, dat gy het veragtelykfte op myn „ altaar brengt" enz. — Kaarigheid in het aanfehaffen van offervee was een gevolg ecner laage eigenbaat , ook door Nehemia beftraft (*,); volgens welk men oordeelde, dat voor 't altaar alles goed. genoeg was. Zo 't niet deeze gemoedsgefteldheid is, die hier beftraft wordt , kan deeze plaats ber zwaarlyk overeen gebragt worden met andere Godfpraaken, waarin dc Godheid zelfs vah de uitgezogfté offers met onverfchilligr beid fpreekt. Israëls God. befchouwt zig •Reeds nog als den Opperheer des lands,die, volgens de zeden der Oosterlingen , door gefchenken geëerd, of bediend moet worT den. Zonder gefchenken mogt men voor den troon niet verfchynen ; en hem het

flegt-

<*) U. 464.

Hh 1

Regenten van Ju Ja.

III.BüBK. IV.

HooFnsT.

Beftraffende vermaa. uilig aan dg Priesters. *

Sluiten