Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

^GENTEN

van Juda. Ï1I. Boek.

iv. KoOFDST.

iPfaatfèn uit •deezen Pro-' feec, die, met regtvaardigmg«Ier voorzienigheid,de komst van den be. loofden Heifand in een nieuw licht föeülen.

joo geschiedenis d$r

„ toegelaaten" ; maar ftrenge en onregt,, vaardige behandelingen tegen de vröii,, wen had hy toch akoos^afgekeurd Hy „ wilde, dat de egtgenooten,-zelfs om der ,, nakomelingfchaps wille, eikanderen niet „ ongetrouw zouden worden".

Eene zedeleer, die reeds zó naby de ze«elesfen van het Euangelie komt, moet derf •onderzoeker der Schriftuur te belangryker zyn, dewyl zy hem aantoont, in welk eenen zin reeds de leeraars onder het oude Verbond, de vergunning tot eigendunklyke égtfcheidingen opvatten, naamclyk , eeniglyk als eene infchiklykheid omtrent een Huk, dat de eigenzinnige en vleeschgczinde Israëliet als een regt mogt befchouwen, maar niet als eene goedkeuring der 'zaak 'zelve. De geest der Wet werd derhalven ten dien tyde reeds onderfcheiden van 't geen derZei ver letter fcheen te vergunnen, of te eisfeben. ' "

Voorts ontmoet men by deezen Profeet, Godfpraaken , welke tot dc Israëlietifche regtvaardjging der voorzienigheid bchooren. De tegenfpoeden , waaraan zig de natie van' tyd tot tyd, ook na de ballingfchap, zag blootgéfteld , gaven gelegenheid tot klagten, zelfs'tot zodanige, die de eer der Godlyke regeèring Te na kwamen , als by voorbeeld (*): ,, Hoe het beftaanbaar was met „ de regtvaardigheid van eenen God, die „ zyn volk zo veel goeds beloofd had, dat' dat zelfde volk nu nog by aanhoudend,

„ heid

(*) Confer Da the over Maleacfa. II. 17.

Sluiten